JAN WAUTERS, wielerverslaggever BRTN:

“Vlaanderen was vroeger een groot dorp, met overal kleinere dorpen.

Vol agrariërs. Er was een soort kermissfeer. Vechten, drinken, elkaars lief afpakken. Er was geen werk. Dus zochten de mannen dat verderop, in een ander dorp of nog verder. Avonturiers waren het. Sommigen gingen naar Noord-Frankrijk om te wielrennen. Of nog verder. Daarmee bleek geld te verdienen. Wielrennen zorgde ervoor dat in het dorp het idee van een andere wereld ontstond, een grotere wereld, waar iets te verdienen viel, waar Vlamingen iets voorstelden. Jongens die op school niets deden - waarvoor zouden ze ook? - hoorden en lazen verhalen over helden in Frankrijk, Italië, in de Alpen. Dat werkte op hun fantasie. Ze gingen ook fietsen.

Nu het in Vlaanderen beter gaat, Vlamingen zich aan de wereld hebben aangepast en ook een eigen identiteit ontwikkelen, heeft de luxe de noodzaak hard te werken gepasseerd. Vlaamse wielrenners, de harde, bonkige types die Flandriëns werden genoemd, zijn er niet meer. Je ziet nu het wielrennen in Wallonië opkomen. De Walen ontdekken nu dat in de sport ook brood te verdienen valt. In Wallonië omarmt men het wielrennen nu ook als het vertier van de kleine mensen.''