Indiase opera in exotische enscenering

Voorstelling: Snatched by the Gods en Broken Strings, kameropera's van Param Vir door de Nederlandse Opera en het ASKO Ensemble o.l.v. David Porcelijn en o.a. Katherine Ciesinski en Michael Lewis. Regie: Pierre Audi; decors en kostuums: Jannis Kounellis en Chloe Obolensky; lichtontwerp: Jean Kalman. Gezien: 11/5 Amsterdam Studio's, Duivendrecht. Herhaling 12, 13 en 14/5.

Samuel Johnson definieerde in zijn dictionaire van 1755 de opera als an exotic and irrational entertainment. Exotisch en irrationeel waren in hoge mate de onderwerpen die de Indiase componist Param Vir had gekozen voor zijn beide eenakters, die maandagavond met veel succes in première gingen in dezelfde loods van de voormalige Cinetone Studio's aan de Duivendrechtsekade, waar de double-bill Gassir van Loevendie en Il Combattimento van Monteverdi verleden jaar was te zien, ook in de regie van Pierre Audi. Oorspronkelijk zouden de kameropera's van Vir met Loevendie's Gassir worden samengevoegd en er zijn inderdaad overeenkomsten, met name in de exotiek. Virs composities ontstonden uit een opdracht van de Münchener Biënnale. Aansluitend aan de voorstellingen in Amsterdam zijn er nog drie opvoeringen in de Muffathalle te München.

Hoe exotisch Virs Indiase verhalen ook mogen zijn, de muziek klinkt strikt Westers, zelfs meer nog dan Loevendie's Afrikaanse eenakter. Eigenlijk is er maar één exotisch moment in Snatched by the Gods, wanneer in een instrumentaal intermezzo buisklokken en gongs ruimtelijk duetteren en er een rituele tempelmuziek op gang lijkt te komen. Maar dat blijkt een "schijnbeweging', want het vervolg is weer in een typisch Westers avant-garde-idioom gecomponeerd.

Pierre Audi liet tijdens de gong-orgie de protagonisten vrijwel bewegingloos liggen in zwart zand dat water moest voorstellen, een mooi gestileerd beeld in een geheimzinnige, donkere caravaggiaanse lichtbehandeling.

Snatched by the Gods op een libretto van William Radice naar een verhaal van Rabindranath Tagore speelt zich dus op het water af. Vanaf het Muziektheater vertrekt voor elke voorstelling een boot naar de Amsterdam Studio's en eigenlijk is dat ook de beste voorbereiding voor de opera, die verhaalt over pelgrims die per boot naar de monding van de Ganges reizen.

John Cage had Tagore's verhaal zeker op een boot laten spelen, zoals hij zijn bezoekers ook al eens per trein liet reizen. Maar dan zou het moeten aflopen als in Scorsese's suspense-film Cape Fear, waarin de boot in een storm wordt vermorzeld. Stuurloos zouden we op de Amstel rondzwalken en de jongste onder ons zou als zoenoffer overboord moeten worden gegooid. Tagore laat hem wreed verdrinken. Param Vir ziet in de storm de duistere driften in de mens die het dierlijke in ons doen ontwaken en vat het verhaal op als een parabel voor onze liefdeloze samenleving.

Dat ik de opera met gemengde gevoelens onderging lag noch aan de regie van Audi, noch aan de muziek van Vir, maar eenvoudig aan het gegeven, dat zich nauwelijks voor "entertainment' leent. Het is niet afwisselend genoeg, het heen en weer duwen van een houten vlondertje (stilering van het schip) kan de aandacht niet vijftig minuten lang vasthouden.

Vir geeft de zangpartijen een Britten-achtige, wat temerige lyriek mee, waartegen het orkestje meer kleurige accenten plaatst. Er klinken stijlcitaten, bij voorbeeld ontleend aan Alban Bergs Wozzeck in de geleidelijk opkruipende orkestklank (op de plaats waar Wozzeck in het water loopt) en de piccolo-solo herinnert aan Messiaens Le Merle Noir. Met die solo begint de opera en eindigt ze tevens, maar dan klinkt dat begin in een retrograde vorm.

Onhandig klinkt de behandeling van de altfluit (in een veel te hoge ligging), maar wel degelijk uitgekiend wordt de zeer lage piccolo, gecombineerd met de contrabas, ingezet. Vir woekert met kleuren, daarin schuilt zijn kracht.

Afwisselender vond ik de tweede opera Broken Strings, gebaseerd op een boeddhistische legende (libretto van David Rudkin), waarin een oude musicus (een incarnatie van boeddha) een sitar-wedstrijd wint, ook al begeven successievelijk alle snaren van zijn instrument het. Dit hebben we dan op te vatten als een zoektocht naar het verinnerlijkte in mens en muziek. Broken Strings is spannender in zijn opbouw en ook op een fantastischer en exotischer wijze te ensceneren, wanneer sprookjesachtige dieren als een rode olifant, een oranje vis en een groene pauw in de ban raken van onze Indiase Orfeus.

De muziek begint met drie droge tikken van de claves, maar dat is dan ook het enige droge eraan, want met name de afwisseling tussen het blazersnonet en het strijkerskwintet is hier veel geraffineerder uitgebuit dan in de eerste opera. Opmerkelijk levendig is ook de springerige, consequente afwisseling in maatsoorten. Toch wreekt zich ook in deze tweede opera dat de componist vooralsnog niet over een echt persoonlijke signatuur beschikt, hoe fantasierijk hij ook zijn klankkleuren weet te kiezen.

Grote bewondering kon men hebben voor de coherentie in de uitvoering, want dirigent David Porcelijn stond griezelig ver van de zangers verwijderd, ook kwam de klank van het orkest te veel via een omweg naar het publiek toe. Er werd met grote inzet gemusiceerd en het zou niet terecht zijn om solisten afzonderlijk te vermelden, want de kracht van deze voorstelling school juist in de teamgeest: een bijzonder verzorgde première.