Lied zes

“Heer, wij danken U!” Mevrouw Es, stokoud en broodmager in haar wagentje, haar stem hard, hol, plechtig. “Heer, wij danken U, alles is goed gegaan!” Steeds maant men haar zachtjes tot zwijgen, tot luisteren.

Caro, in toga, spreekt over verlies van identiteit. Leef ik wel? Besta ik echt? “Bestaan, dat is op weg zijn, het gevoel dat je ergens naartoe gaat.” Dat gevoel kun je kwijtraken.

Zo'n vijftien bewoners van Beukenburg hebben ja gezegd toen werd gevraagd of ze naar de kerk wilden. Samen met personeel en vrijwilligers bevolken ze de heldere kleine kapel.

“De volgelingen van Jezus waren wanhopig”, zegt Caro.

“Ja, dat kan”, zegt mevrouw Van Dee.

“Jezus was dood”, zegt Caro.

“O, nou dat weer!”, zegt mevrouw Van Dee. Dit overvalt haar, je hoort haar schrik. Keurig in haar mantel op de voorste rij, mevrouw Van Dee: ze klampt zich vast aan stopwoordjes, die haar hele leven hebben voldaan, maar er nu net naast zitten.

“Als we niet verder kunnen”, zegt Caro, “moeten we misschien maar teruggaan. Waar kom ik vandaan? Van wie ben ik eigenlijk?” Want dan is het de Here, die zegt: ik heb u verlost, ik heb u bij uw naam geroepen.

Ze spreekt in blokjes van een paar minuten. Dan wordt er gezongen. Lied zes uit eigen bundel: “Grote God, wij loven U, Heer, o sterkste allersterken”.