"Nu weet ik: ik ben niet zoals hij was'

De schrijver Haye van der Heyden heeft voorgesteld om de oorlog in 1995 verjaard te verklaren.

“Auteursrecht vervalt ook als de schrijver vijftig jaar dood is”, zegt hij in De Groene Amsterdammer. “Dus in 1995 moeten we die oorlog maar eens begraven.”

Woorden van gelijke strekking sprak hij in het Nieuwsblad van het Noorden: “Die oorlog is ons vijftig jaar opgelegd. Maar als die oorlog vijftig jaar dood is, is-ie ook ten einde. Het moet afgelopen zijn met het gezeik daarover.”

Het is pure kretologie van iemand die wel beter weet.

Max Arian dient hem van repliek in het nieuwste nummer van Toneel Theatraal: “Natuurlijk zouden wij allemaal dolgraag ophouden met zeiken over die oorlog, maar we kunnen het niet en hoe meer we het ons voornemen, hoe meer dat verleden ons inkapselt. Vijftig jaar na de oorlog, het is niet te begrijpen hoe kort het geleden is, niet alleen voor joden of kinderen van verzetsstrijders, maar net zo goed voor mensen van wie de ouders fout zijn geweest.”

Haye van der Heyden is het kind van een NSB'er. Max Arian is het kind van een vader die in Auschwitz is vergast. De eerste is auteur van de wrange, recentelijk in première gegane, komi-tragedie "Goed/Fout', de tweede heeft verleden week, als bijdrage tot de jaarlijkse dodenherdenking, een overlevende van de vernietigingskampen geportretteerd. Zo bewijst beiderlei worsteling met het verleden dat er van een mogelijke verjaring van de oorlog geen sprake is.

De kinderen van Auschwitz en de kinderen van Mussert zijn loten van één stam, met vergelijkbare problemen en traumata. “De mensen die gebukt gaan onder foute ouders zijn er misschien nog wel erger aan toe”, zegt Van der Heyden, “want zij zijn de daders.” Nee, nee, nee, zij zijn niet de daders, maar de kinderen van de daders en hen treft geen enkele blaam. Het feit dat hun vader ooit tot de vrijwillige Landstorm of de Germaanse SS is toegetreden is zijn verantwoordelijkheid, niet de hunne. Het is een uiterst simpele waarheid die ik al jarenlang mijn kennissen, die in zo'n ellendige goed/fout-situatie verkeren, aan het verstand probeer te brengen. Het is de vrouw die zich nog steeds niet aan haar SS-vader kan ontworstelen, met welke argumenten ik haar ook bestook. Het is de man die op mijn kantoor het tweedelige standaardwerk "De SS en Nederland, Documenten uit SS-archieven 1935-1945' kwam raadplegen om te zien of zijn vader in het namenregister stond, want hem ontbrak de moed om het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie binnen te stappen. Moeilijke gesprekken, neem dat van mij aan. Die mensen geloven je wel, want zij zijn doof, blind noch achterlijk. Niettemin heb ik niet de indruk er ooit in te zijn geslaagd dat kwellende, loodzware, haast metafysiche schuldgevoel weg te redeneren.

De oorlog heeft ons werkelijk vergiftigd. Ik viel een paar dagen geleden halverwege in een tv-documentaire over de dochter van een der opperslagers van Noord-Rusland. Toen men hem na de oorlog ter dood veroordeelde werd in de rechtszaal geapplaudisseerd. De dochter, een aardige, gevoelige vrouw, waarvan je zág dat zij al haar leven geen vlieg kwaad zal doen, ging hevig onder haar verschrikkelijke familie gebukt. Onder haar vader én haar moeder. “Mijn moeder zei altijd dat zij in mij zoveel eigenschappen van mijn vader herkende. Dan denk je: Ik draag het kwaad in me.” Ik had wel door het tv-scherm willen klimmen om haar te zeggen: “Kind, overdraagbaar kwaad bestaat niet, schei nou uit, martel jezelf niet langer, je kunt er echt niets, helemaal niets aan doen.” Gelukkig werd zij getroost door een gekwalificeerdere biechtvader dan ik. Het was een oude Russische jood die haar eerst meedogenloos-meedogend vertelde wat haar vader allemaal had gedaan, totdat haar (en mij) de tranen over de wangen stroomden, om de vrouw uiteindelijk te troosten met de woorden: “U bent niet verantwoordelijk. Lees de Bijbel. Daarin staat geschreven, dat geen zoon voor de daden van zijn vader verantwoordelijk is.” Daarmee waren de demonen verdreven. “Nu weet ik: Ik ben niet zoals hij was.” Gelouterd flitste de vrouw het beeld uit, in het gezelschap van haar vriendin, die ongetwijfeld óók goed in een volgende oorlog zal zijn.

De meeste naoorlogse oorlogsslachtoffers worstelen echter nog dagelijks met die demonen. Zij voelen zich allemaal schuldig: De joden die de oorlog hebben overleefd, de joodse kinderen die in de nachtmerrie van hun ouders verstrikt raakten, de NSB-kinderen omdat zij NSB-kinderen zijn. Mijn God, zelfs de kinderen van verzetsstrijders, zo blijkt uit een ander tv-programma, zijn niet gespaard gebleven. Een hunner moest als knaap in de vrieskou op appel staan om zich tegen het leven te harden, een bedenksel van een paranoïde vader die achter elke boomstronk een neo-nazi vermoedde. Een algemeen verschijnsel is het gelukkig niet, niettemin, het komt méér voor dan wij denken. En als ik naar mijn eigen ouders kijk, van wie de een zich in een gangkast verscholen moest houden, terwijl de ander op een fiets met houten banden op hongertocht naar Friesland ging om een boerderij vol onderduikers te voeden... Het zijn gebeurtenissen die ook hén niet onbeschadigd hebben gelaten. Ja, ik ben er zéér voor die oorlog ooit verjaard te verklaren en het is zeker dat ik het niet meer mee zal mogen maken.