"Indringers' geeft geen dramatische dimensie aan het cerebrale conflict; Schrijvers en spelers in een keurslijf

Voorstelling: Indringers door Theater van het Oosten. De Wespendief van Kester Freriks. Regie: Matin van Veldhuizen. Spel: Pim Lambeau, Marie Louise Stheins e.a. De Tentoonstelling van Thomas Verbogt. Regie: Agaath Witteman. Spel: Joost Boer, Yvonne Petit e.a. Gezien: 2/5, Toneelschuur Haarlem. Tournee t/m 26/5.

In het tweede en laatste deel van het project Indringers is Theater van het Oosten enigszins van de formule afgeweken. Zo is het decor van de twee stukken die nu in première zijn gegaan - De Wespendief van Kester Freriks en De Tentoonstelling van Thomas Verbogt - anders dan dat in Dio van Willem van Toorn en De Wisselmarkt van Marijke Höweler, de samenstellende delen van de eerste helft van het project. Verbogts stuk heeft bovendien een geheel andere bezetting en is door artistiek leidster Agaath Witteman geregisseerd en in Freriks' stuk, net als de beide eerste stukken in de regie van Matin van Veldhuizen, heeft Marie Louise Stheins de plaats ingenomen van Nettie Blanken.

Dat zijn de gewijzigde details van een procédé dat in oorsprong al ingewikkeld genoeg was. Iedere schrijver droeg voor het project één personage aan, dat in alle vier stukken voorkomt. Het aldus ontstane groepje telde drie vrouwelijke karakters van verschillende generaties en één man van middelbare leeftijd. De thematische opdracht was het gezelschap door een vijfde, naar eigen inzicht te schilderen personage te laten ontregelen.

Het siert het Theater van het Oosten, dat het de Nederlandse toneelschrijfkunst tracht te stimuleren. Ongelukkig is - en dat bleek al in de vorige aflevering - dat de artistieke leiding het goeddeels debuterende talent in zo'n strak keurslijf heeft gedwongen. Waarom is hen, desnoods met dramaturgische begeleiding, niet de vrije hand gegeven? Een thema moet toch in de eerste plaats een persoonlijke fascinatie zijn van de schrijver in kwestie? En niet een collectieve invuloefening, met een voorspelbare wending (indringer verstoort groepje) en onsamenhangende want uit verschillende bronnen afkomstige karakters?

Afijn, misschien kan het wel, Verbogt is er in elk geval in geslaagd het geheel nog enigszins naar zijn hand te zetten. Hij plaatst de vier gegeven karakters in een onbestemde, bijna vrijblijvende situatie. Een gezamenlijk te bezoeken tentoonstelling is de reden van een bijeenkomst rond een theetafel. Men kent elkaar, overduidelijk, maar de precieze verhoudingen blijven in het midden. Er is irritatie, gecultiveerd misverstand lijkt het, of misschien wel domweg gewoontegedrag. Eigenlijk is ieder van de aanwezigen ten opzichte van de anderen een indringer. Dat er nog een vijfde bijkomt, is niet meer dan een uitbreiding.

Verbogts aanpak werkt en die van regisseur Agaath Witteman ook. De tentoonstelling toont een redelijk vermakelijke momentopname uit het leven van vijf willekeurige figuren. Witteman en decor- en kostuumontwerper Stan Lutz bewerkstelligen een lichtelijk absurde sfeer door een oriëntaalse aankleding. Het thee-setje is ingelegd lakwerk, niet hoger dan de knie, waar het gezelschapje uiteindelijk in een soort gewapende vrede rondom plaats neemt, vlak voor het licht dooft. Grappig is Yvonne Petit, sowieso al door haar vreemde hoekigheid, en temeer door haar droge onverstoorbaarheid. In woede door Johan (een driftige rol van Joost Boer) vertrapte rozen brengen haar niet van haar stuk. Ze doet de geplette blaadjes in een schaaltje, voor op tafel. Beeldig toch?

Thee, bloemblaadjes en schaaltjes brengen in De tentoonstelling zoiets als dramatische spanning te weeg, in Kester Freriks' De wespendief zijn zwaarwegender thema's aan de orde maar blijft die spanning uit. Het is moeilijk te zeggen waaraan dat meer te wijten is: aan de tekst of aan de regie. Freriks zoekt het drama in een confrontatie tussen herinneringen en het heden. Torna (Alida Neslo) heeft tien jaar geleden de liefde van Edwin Gilbert (Felix Burleson) afgewezen, nadat hij haar gefêteerd had op een "sprookjesweekend'.

Zuiverheid van inborst gebood haar niet te zwichten voor vertoon van geld. In het heden is Gilbert de indringer en hij blijkt het geld destijds geleend te hebben. De liefde is voor niets versmaad en dat pepert Jacoba (Marie Lousie Stheins) de gewetensbezwaarde nog eens extra in door het met Gilbert aan te leggen. Freriks plaatst daarmee pragmatisme tegenover idealisme.

Dat is een cerebraal conflict, dat de schrijver, maar ook regisseur Matin van Veldhuizen verzuimt te dramatiseren. Er is geen aanleiding tot welke mise en scène ook, maar van dat vacuüm had zij juist gebruik kunnen maken. In plaats daarvan laat zij Freriks' sluiers van poëzie realistisch verwoorden door drie in hun ligstoelen verankerde spelers en twee anderen die hun heil moeten zoeken in loze loopjes en gebaren. Dat is helaas geen theater.