Dwanglicenties

Binnenkort zal de Tweede Kamer zich buigen over een voorstel tot wijziging van de Rijks Octrooi Wet.

Het voorstel gaat onder meer over dwanglicenties bij octrooien en de gronden waarop die dwanglicenties door de overheid kunnen worden verleend. De industrie, vooral de farmaceutische industrie, doet er goed aan de vinger aan de pols te houden. Waar gaat het wetsvoorstel over en wat is het belang van de industrie? Maar vooreerst: wat is een octrooi en wat is een dwanglicentie?

Laat ik eerst een misverstand uit de wereld helpen. Anders dan wel eens wordt gedacht, bestaat er geen materieel verschil tussen een patent en een octrooi. Wat deskundigen een octrooi noemen, wordt door leken soms als een patent betiteld. Niet meer doen dus. Een octrooi is een door de overheid gegeven monopolie, op grond waarvan de uitvinder gedurende geruime tijd - als regel twintig jaar - als enige zijn in het octrooi beschreven uitvinding mag exploiteren en daarmee dus geld verdienen.

Tot 1910 kenden wij in Nederland geen octrooibescherming omdat wij, als rechtgeaarde naäpers, er niet aan moesten denken in onze kopieerdrift te worden gestoord door octrooien van anderen, bijvoorbeeld van buitenlanders. Eind vorige eeuw begon echter ook hier het besef post te vatten dat het algemeen belang gediend was bij openbaargemaakte uitvindingen, omdat de wetenschap en anderen daarop dan weer zouden kunnen voortborduren ten algemene nutte. Want de uitvinders keken, toen er nog geen octrooibescherming was, er wel voor uit om hun met veel kosten en moeite gedane uitvinding te openbaren. Die kennis, die verder niet werd beschermd, hielden zij natuurlijk liever geheim.

In 1910 kwam de Octrooiwet tot stand, waarin een compromis was opgenomen. De uitvinder werd beloond voor de publikatie van zijn uitvinding met een octrooi, welk octrooi hem het tijdelijke recht gaf als enige de openbaargemaakte uitvinding toe te passen. De overheid verleent een octrooi als een bepaald produkt of een bepaalde wijze van werken zowel nieuw als inventief is. De uitvinding moet dus iets Willie Wortel-achtigs hebben.

Maar hoe zit het nu als een octrooieerbare uitvinding wel aan deze criteria voldoet - en er dus een octrooi wordt verleend - maar de met octrooi beloonde uitvinder zijn octrooi buiten zijn schuld toch niet kan toepassen? De belemmering tot toepassing zit hem - ik ga nu naar de dwanglicentie toe - in het bestaan van een ander, ouder octrooi. Anders gezegd: het laatst verleende octrooi is op zichzelf in orde, maar om het in de praktijk toe te kunnen passen valt men toevallig onontkoombaar onder een deel van een oudere uitvinding, die óók via een octrooi is beschermd. Het nieuwe octrooi overlapt het oudere deels.

Om zijn nieuwe octrooi toe te passen zonder inbreuk te maken op het oudere octrooi heeft de uitvinder dus toestemming nodig van de eigenaar van het oudere octrooi. Als de oudere octrooihouder geen toestemming geeft aan de nieuwe uitvinder om zijn nieuwe octrooi toe te passen zijn de poppen natuurlijk aan het dansen. De nieuwe uitvinder heeft zijn uitvinding immers openbaargemaakt en wenst nu ook de in het vooruitzicht gestelde beloning: het exclusief toepassen van zijn eigen uitvinding. Maar dat laatste kan hij nu weer niet bij gebreke aan toestemming van de oudere octrooihouder.

Om die impasse te doorbreken heeft de wetgever in 1910 al bepaald dat de overheid de oudere octrooihouder kan dwingen toestemming (licentie) te geven aan de nieuwe octrooihouder, zodat die tenminste zijn eigen uitvinding kan exploiteren. Omdat die toestemming wordt afgedwongen door de overheid, heet die toestemming een dwanglicentie. Aan zo'n dwanglicentie wordt wel de voorwaarde gekoppeld dat de oudere octrooihouder van de nieuwe uitvinder een (bescheiden) financiële vergoeding krijgt, maar blij is die oudere octrooihouder natuurlijk niet. Hij is nu immers niet meer de enige die zijn eigen uitvinding in de praktijk kan toepassen: ook de nieuwe uitvinder kan dat doen op grond van de aan hem verleende dwanglicentie.

Dat kan tot pijnlijke taferelen leiden, vooral, naar is gebleken, in de farmaceutische industrie. Wie een zeer belangrijke en winstgevende uitvinding met betrekking tot bijvoorbeeld bepaalde geneesmiddelen heeft gedaan, wenst zijn research- en ontwikkelingskosten terug te krijgen via exclusieve verkoop van het geoctrooieerde medicijn. Maar als er een dwanglicentie onder dat octrooi wordt verleend kan ook de verkrijger van de dwanglicentie - en dat is altijd de concurrent - opeens zo'n medicijn op de markt brengen. Weg exclusiviteit en dus: lagere prijzen.

Omdat de normen voor het verkrijgen van een octrooi in de loop der jaren steeds lager zijn geworden, is het steeds makkelijker geworden om een octrooi te krijgen. Dat betekent dat het steeds interessanter wordt voor sommige geneesmiddelenfabrikanten om een nieuw octrooi te verwerven, waarmee via een dwanglicentie kan worden "ingebroken' in een ouder, commercieel waardevol octrooi. Via de dwanglicentie kan dan financieel worden geprofiteerd van de afgedwongen exploitatie van dat oudere octrooi. Deze figuur doet zich in toenemende mate in de farmacie voor.

Maar in de toekomst zal dit, na de aanhangige wijziging van de Rijks Octrooi Wet, een nog meer in het oog lopend probleem worden. Waar de octrooien nu nog, voordat zij worden verleend, door de overheid worden onderzocht op hun waarde, zal er na de wijziging van de Rijks Octrooi Wet een registratiesysteem komen. Bijna iedereen die een octrooi vraagt zal dan automatisch, zonder verder onderzoek naar de waarde van de aangemelde "uitvinding', een octrooi krijgen. Als er ruzie over zo'n registratie-octrooi komt moet de rechter maar uitzoeken of het octrooi terecht is geregistreerd.

Dit systeem, dat tot een vloed van octrooien - en dus ook van aangevraagde dwanglicenties - kan leiden, heeft natuurlijk een rem nodig. Daarom bepaalt het wetsvoorstel dat niet meer elk nieuw octrooi het recht geeft om een dwanglicentie onder een ander, ouder, octrooi te vragen. Dat mag alleen nog als in het nieuwe octrooi “een aanzienlijke technische vooruitgang is belichaamd”. Maar neemt dat niet-economische criterium wel alle onbillijkheid weg die de oudere octrooihouder die een dwanglicentie moet geven zal kunnen voelen?