De wederopstanding van een geweten; Hoe Manes Sperber een onverzoenlijke liberalist werd

Wat te doen wanneer men als marxist is beroofd van al zijn illusies maar ook niet bereid is de kant van de Amerikanen te kiezen? De schrijver Manès Sperber besloot het leven van Socrates te bestuderen. Chris van Esterik over een "oude revolutionair die niet gelooft in de verlossing door de revolutie'.

Socrates. Uitgeverij Kasimir Amsterdam, 166 blz. Prijs ƒ 49,50

Wie eine Träne im Ozean (romantrilogie). Europaverlag Wien, 1034 blz. Prijs ƒ 41,70

All Das Vergangene (autobiografie). Europaverlag Wien, 936 blz. Prijs ƒ 76,-

Die Tyrannis und andere Essays aus der Zeit der Verachtung DTV München, 178 blz. Prijs ƒ 14,60

Essays zur täglichen Weltgeschichte. Europaverlag Wien, 719 blz. Prijs ƒ 65,60

Manès Sperber is een van die zeldzame schrijvers wiens eigen leven nauwkeurig de schokken weergeeft van de grillige twintigste eeuw. Op zijn dertiende van zijn joodse geloof afgevallen, maakte hij twee wereldoorlogen mee, bekwaamde zich in de jaren twintig succesvol in de psychologie, raakte in de jaren dertig in de ban van een totalitaire ideologie, zwoer die vervolgens af en leefde nog net lang genoeg om zich hevig op te winden over de extreme uitlopers van de jaren zestig. Dat leven, van 1905 tot 1984, legde hij vast in meer dan vierduizend pagina's aan romans, essays, toneelstukken en een autobiografie. Die laten zich lezen als een encyclopedie van de twintigste eeuw. 166 pagina's van dat werk zijn onlangs in Nederlandse vertaling verschenen. Het betreft een verhaal en een toneelstuk over Socrates uit 1952 en een essay over zijn dood, dat Sperber schreef vlak voor hij zelf stierf. Alle drie stukken zijn in deze bundel onder de titel Socrates bijeengebracht. Sperber begon aan Socrates na het voltooien van zijn vuistdikke romantrilogie Wie eine Träne im Ozean, die als belangrijkste thema zijn eigen verblinding door het communisme en de daaropvolgende verloedering door het stalinisme van de jaren dertig tot onderwerp had. Sperber schrijft in het voorwoord van Socrates dat hij zich bevrijd, maar ook verlaten voelde na het schrijven van deze niets ontziende zelfbekentenis in romanvorm.

Hoe moest hij nu verder, een intellectueel beroofd van al zijn illusies, maar niet bereid in de Koude Oorlog radicaal van front te verwisselen en kritiekloos aan de zijde van de Amerikanen mee te vechten? Een uitspraak van een van de figuren uit zijn romantrilogie, een oude Weense professor, komt hem te hulp. Hij, geen lid van de communistische partij en sceptisch tegenover iedere ideologie, constateert tijdens een van de vele twistgesprekken over de vraag of het communisme de mensheid kan verlossen: “Wie niet in God gelooft, heeft geen recht een heilige te zijn. Het is niet onze taak om een held te zijn - om van de nood een deugd te maken -, ook niet om een heilige te zijn - om van de deugd een nood te maken -, maar onze enige taak is een wijze te worden.” Sperber besluit op zoek te gaan naar die wijze en vindt Socrates. Niet om te vluchten in de luwte van een risicoloos ver verleden, maar om te onderzoeken hoe een wijze denkt en handelt, die in zijn tijd de goden (onmiskenbaar een metafoor voor het communisme en voor Stalin) had afgezworen en die ook geen heldhaftige heilige wilde zijn zoals de wereldverbeteraars, die zwolgen in het idee hun hele persoonlijke leven op te offeren voor de revolutie.

Gevoelig jaartal

Sperber laat de handeling in Socrates zich afspelen in 404 voor Christus, een van de meest gevoelige jaartallen in het bestaan van het oude Athene, het einde van de Peloponnesische oorlog met de verovering van het democratische Athene door het autoritaire Sparta.

De verleiding en verloedering van de macht blijken ook hier van alle tijden te zijn: de Spartaanse bezetters hebben zonder veel moeite een aantal vooraanstaande Atheners bereid gevonden om de democratie af te schaffen en een oligarchie van de "dertig' te vormen om de autoritaire politiek van de Spartanen uit te voeren. Sommigen van die "dertig' zijn leerlingen van Socrates geweest. Chaerefon, de oudste vriend van Socrates en overtuigd democraat, spreekt de wijsgeer daarop aan en verwijt hem gezwegen te hebben bij de misdaden van zijn volgelingen. Chaerefon bezweert hem de stad te verlaten zodat de schande van zijn volgelingen ook niet de zijne wordt. Maar Socrates weigert, hij beweert helemaal geen leerlingen te hebben en bovendien: “Ik blijf hier om te herinneren. Niet om te onderwijzen, te richten, of op te leiden.” Hij weigert ook Chaerefon te helpen bij het omverwerpen van de oligarchie: een filosoof is immers geen politicus, aldus Socrates. En Sperber laat de wijsgeer zich heimelijk en onzeker afvragen: “Als mijn waarheid de vergissing van morgen is, waar sloof ik mij dan voor uit?”

Onvoltooid

Socrates mijmert over zijn vader, de beeldhouwer Sofroniscus, die zijn beelden nooit afmaakte uit angst voor het bereikte doel: “Slechts het onvoltooide was voor hem vol belofte.” En dan is er Xantippe, de echtgenote van Socrates, die hem liefdevol maar onverbiddelijk de mantel uitveegt: hij mag dan de wijste aller Grieken zijn, maar tegelijkertijd verzaakt hij al zijn niet-filosofische plichten en komt zijn gezin bijna om van de honger. Ze werpt hem voor de voeten dat al zijn gefilosofeer slechts een dekmantel is voor zijn liefdeloosheid: “Als iemand helemaal niet kan liefhebben, dan kan hij zich nog verbeelden van de mensheid, van de wereld te houden. Want in het diepst van je wezen ben je volstrekt onverschillig.” Als zij is uitgeraasd en, overmand door de slaap, telkens een zucht uitstoot dan schrikt Socrates en beseft opeens “dat hij niet wist hoe je op zo'n zucht moest antwoorden”. Hier zwijgt de filosofie.

De weigering van Socrates om vijf jaar later zijn doodvonnis aan te vechten, omdat dat tegen zijn geweten indruist, omschrijft Sperber elders als “zo ongeveer de enige serieuze zege die de filosofie ooit behaald heeft”. Sperber ontkent in zijn essay over de dood van Socrates die rol van het geweten niet, maar hij constateert tegelijkertijd dat zijn doodsdrang ook minder edele motieven kende. Volgens hem was de oude wijsgeer ook moe van het leven en der dagen zat omdat hij heel goed wist dat hij zijn vriend Chaerefon in de steek had gelaten, dat zijn vrienden, leerlingen of niet, zich als tirannen ontpopt hadden en dat hij geen enkel weerwoord had op de zo gerechtvaardigde menselijke zuchten van zijn vrouw Xantippe.

Zo bewijst, aldus Sperber, het leven van Socrates dat een heel leven niet voldoende is om vast te stellen wat wijsheid betekent. En hoe wijs het zou kunnen zijn om als wijs man te leven - of hoe onmenselijk. Want wat is de waarde van het zoeken naar wijsheid als daardoor tegelijkertijd je kinderen bijna van honger omkomen? Door Socrates herontdekt Sperber weer de methode van het vragenderwijs door het leven gaan, iedere zekerheid betwijfelend. Dat is een ontdekking voor Sperber die als communist gewend is te denken in lijnrechte antwoorden, onbetwiste oplossingen en te geloven in de zekerheid van een stralende socialistische toekomst voor de mensheid onder leiding van het vaderland van arbeiders en boeren, de Sovjet-Unie.

Joodse enclave

Dat was opmerkelijk omdat Manès Sperber in zijn jeugd ook begonnen was vragen te stellen bij een aantal onwrikbare zekerheden van zijn opvoeding. Met een slecht verborgen nostalgie beschrijft hij in zijn autobiografie zijn jeugd in het stadje Zablotov. Bij zijn geboorte in 1905 heette dat toen nog Oost-Galicië, een uithoek van de Oostenrijks-Hongaarse Donaumonarchie. Nu ligt het in de Oekraïne, vlakbij de grens met Roemenië. Zablotov was een Städtel, dat wil zeggen een joodse enclave in een katholieke of grieks-orthodoxe omgeving. Het Städtel was een typisch Oosteuropees fenomeen: de meestal chassidische joden ondergingen hun bittere armoe veelal met enige opgewektheid omdat ze leefden in de zekerheid van de nabije komst van de Messias. Gesterkt door deze zekerheid en geharnast door een ijzeren kennis van de Thora en de geschriften van de chassidische rabbi's, voelden ze zich superieur boven de hen omringende ongeletterde barbaren. Het was een soort Civitas Dei temidden van de barbarij, aldus Sperber.

Maar de wetten en voorschriften van het chassidisme waren dermate rigoureus en streng dat ze de jonge Manès al vroeg begonnen te benauwen. Van het eindeloos prijzen van God bij het lichaam van iemand die net aan een gruwelijke ziekte was overleden, begreep hij niets. En in plaats van dat de langverwachte Messias kwam, brak in 1914 de Eerste Wereldoorlog uit. Zablotov kwam een aantal keren in de vuurlinie te liggen en het jongetje van negen ziet lijken en gewonden en vraagt zich af wat voor een God dat is, die dat allemaal laat gebeuren. Als de familie in 1916 de oorlog ontvlucht en naar Wenen trekt, doet het wereldse leven in de bruisende metropool de rest. In 1918, dertien jaar oud, verklaart hij zich atheïst, tot groot verdriet van zijn vader.

Maar de Messias blijkt zich niet zomaar in de ban te laten doen, want kort daarop treedt Hij weer tevoorschijn in zijn leven, nu vermomd in de gedaante van de Revolutie. Vlak na de Eerste Wereldoorlog, hij is dan pas ruim veertien maar zeer voorlijk, komt hij via een joodse jongerenorganisatie in contact met de ideologie van de revolutie, die de oudste jongens meebrachten van het front, waar ze de Russische revolutie hadden meegemaakt. Tegelijkertijd volgt hij op de universiteit de colleges van Alfred Adler, de stichter van de zogenaamde Individualpsychologie, die voor het eerst het minderwaardigheidscomplex beschrijft en dat beschouwt als een van de drijvende krachten voor het menselijk handelen. Een opvatting waarvoor hij sinds 1911 in onmin leeft met zijn leermeester, Sigmund Freud. Manès Sperber is zo ijverig en leergierig dat Adler hem op zijn zestiende (!) in zijn felbegeerde inner circle opneemt. Als Sperber negentien is geeft Adler hem al de eerste patiënten om zich in het vak van psychotherapeut te bekwamen. Twee jaar later wordt zijn eerste grote essay uitgegeven over Adler, Der Mensch und seine Lehre.

Brecht

Inmiddels was hij een marxist in het diepst van zijn gedachten geworden, zoals hij schrijft in zijn autobiografie. Dus toen Adler hem in 1927 naar Berlijn zond om daar op de universiteit zijn leer op het rechte spoor te houden, had Sperber nog een eigen taak voor ogen: als lid van de communistische partij meewerken aan de voorbereidingen voor de revolutie. Hij leert er snel Bertolt Brecht en Alfred Döblin kennen. Brecht vertoont een aantal eigenaardigheden die Sperber op dat moment helemaal niet bijzonder opvallen, maar die hem later, als hun wegen ver uiteen zijn gegaan, tot nadenken stemmen. Zo droeg Brecht steevast onder zijn leren jack - dat van de Politkommissaris van het Rode Leger - het vaalblauw gekleurde werkhemd van de arbeider. Het enige verschil was dat Brecht zijn proletarische hemden zich door zijn kleermaker liet aanmeten, gemaakt uit matte zijde.

In 1931 valt hem de eer te beurt uitgenodigd te worden voor een psychologencongres in Moskou. Een reis van maar liefst drie maanden door het hele Sovjetrijk volgt.

Het zwijgen over de waarheid omdat die niet strookt met de partijlijn wordt een tweede natuur. Hij ziet de armoede, chaos en corruptie in het land en spreekt erover met een vrijmoedige Russische psychologe, wier man een hoge positie in de partij bekleedt. Zij zegt hem met een stalen gezicht: “Mijn man is inmiddels een meester geworden in de kunst van het zichzelf in het gezicht spugen.” Na die opmerking mijdt hij haar gezelschap. Terug in Berlijn krijgt hij een uitgeweken trotskist op de psychotherapeutische divan, die heeft meegeholpen aan de miljoenen mensen verslindende campagne tegen de koelakken en nu last heeft van ernstige gewetenswroeging. Als hij over de gruwelijke details van zijn werk een boekje wil opendoen, roept Sperber hem toe: “Laat U de ergste episoden maar uit uw verhaal, die hoef ik niet te horen!” Als de waarheid in conflict is met de partijlijn, dan is dat jammer voor de waarheid. Hij reageert zijn ervaringen af door in Berlijn zijn propaganda-activiteiten voor de partij nog verder op te voeren: hij is immers in het vaderland van het socialisme geweest. Wel schrikt hij soms 's nachts op uit hinderlijke nachtmerries, waarin hij droomt over grote pogroms, georganiseerd door de Komsomol.

Twijfel

Na de machtsovername door Hitler wordt hij gearresteerd en worden er wapens bij hem thuis gevonden. Later lukt het hem om via Wenen naar Parijs te vluchten. Daar wordt hij in 1934 aangesteld als "ideologisch' leider van het Instituut ter Bestudering van Fascisme. Sperber's werk is een opdracht van de Komintern, die het instituut ook heeft opgericht. Het hele instituut wordt volgens strikte orders uit Moskou geleid. Hij ontmoet er Arthur Koestler en later ook André Malraux. Met beiden sluit hij vriendschappen voor het leven. Intussen krijgt de repressie in de Sovjet-Unie het hele land in zijn greep als Stalin besluit vanaf 1935 nu ook de kaders van de eigen partij als "agenten van het monopoliekapitaal' te ontmaskeren en te liquideren. De twijfel in Sperber's hoofd grijpt nu razendsnel om zich heen, maar hij houdt zijn mond stijf dicht: “Ik wachtte er geduldig op dat het kromme weer recht zou worden en dat de leugen op den duur vanzelf voor de waarheid zou wijken.”

Kritiek op Stalin betekent immers steun voor de aartsvijand, het fascisme. En welke rechtgeaarde communist wil voor fascist uitgemaakt worden? Temeer daar ook in West-Europa nu, op last van Moskou, ook onder de getrouwe communisten tallozen als fascisten ontmaskerd worden.

Deze periode behandelt Sperber later in het eerste deel van zijn romantrilogie Wie eine Träne im Ozean.

Het is, in literaire vorm, een indrukwekkend compendium van het communisme in de jaren dertig: het behandelt niet alleen tot in de details hoe men andere organisaties binnendringt, samenzweert en internationale netwerken opzet, maar ook alle mogelijke manieren waarop partijgenoten moreel en psychisch onder druk worden gezet, tactieken waarmee "verdachte' kameraden op instigatie van Moskou langzaam geïsoleerd worden tot liquidatie of zelfmoord volgt. Deze fenomenen worden zo tot in de finesses beschreven dat de indruk ontstaat dat de schrijver dat handwerk ook zelf beoefend moet hebben. Maar in zijn autobiografie rept hij over die details met geen woord. In dezelfde tijd dat Sperber aan zijn boek werkt, wordt Arthur Koestler in één klap beroemd door zijn boek Nacht in de middag over de onzinnige zelfbeschuldigingen in de Moskouse showprocessen. Maar waar Koestler zich beperkt tot de denkwereld van zijn held Roebasjew en zijn ondervragers, daar schetst Sperber in zijn boek een veel rijker scala aan communisten uit die tijd die aan het stalinisme te gronde gingen of er juist bliksemsnel carrière door maakten: twijfelende intellectuelen, doorgewinterde avonturiers, machtsbeluste samenzweerders, geflipte adel, integere arbeiders en steile theoretici zijn maar enkelen van de velen die Sperber in zijn boek schetst. Hier is de literaire fictie, gebaseerd op zoveel feitelijke kennis, op zijn best. De wetenschappelijke studies, die nu na de omwenteling in Rusland zeker zullen verschijnen, zullen veel moeite hebben de indringendheid van Sperber te evenaren.

Hartklachten

Bij de aanvang van het tweede grote stalinistische showproces in 1937 begint Sperber's hardnekkige zwijgen niet alleen psychische gevolgen te hebben, maar zijn zelfbedrog begint nu ook zijn lichaam aan te vreten: behalve nachtmerries, krijgt hij nu ook hartklachten. Het geweten, jarenlang de mond gesnoerd en op een haar na dood, begint zich plotseling heftig te roeren. Dat is wat Sperber uiteindelijk tot de grote breuk doet besluiten. Hij zegt de partij, de revolutie en Parijs vaarwel en duikt onder bij zijn ouders in Wenen. Maar het brengt hem niet de zo begeerde opluchting: “Slechts door één deur verlaat men de revolutie, dat is de deur die toegang geeft tot het grote Niets. Het was alsof een god duizenden jaren lang alle eenzaamheid voor mij alleen had opgespaard.” Thuis in Wenen schrijft hij in drie weken tijd Die Tyrannis, een analyse van de twintigste-eeuwse tiran en zijn onderdanen. Een studie helemaal gebaseerd op de theorieën van Adler.

Na de Tweede Wereldoorlog krijgt Sperber, weer terug in Parijs, een leidende functie bij de Franse uitgeverij Calmann-Lévy en voltooit hij zijn romantrilogie en zijn autobiografie All das Vergangene. Daarnaast publiceert hij een onafzienbare hoeveelheid aan essays en lezingen over literatuur, cultuur, politiek en psychologie. In een voorwoord van een van zijn boeken omschrijft hij kort zijn nieuwe wereldbeeld na het uiteenspatten van de grote illusie van de jaren dertig: “Ik kan de lezer slechts een ding aanbieden. Dat is met hem zijn eenzaamheid te delen. Misschien is dat de enige vorm van gemeenschap, waarin diegenen elkaar vinden, die uit dezelfde bron moed moeten scheppen, zonder illusies te leven.”

Na 1968 bezwijkt een gedeelte van het vrolijke verzet van de jaren zestig voor de totalitaire verleiding. Fans van de Rolling Stones veranderen in gestaalde kaders, Jean Paul Sartre vent met maoïstische blaadjes en in Nederland ontvlamt binnen de Socialistische Uitgeverij Amsterdam een strijd van leven op dood over het wel of niet uitgeven van Koestler's Nacht in de middag. Alsof er nooit een Goelag geweest is. Sperber ziet dat de geschiedenis zich dreigt te herhalen en waarschuwt in een reeks vlammende essays. Een schuldbekentenis door Enzensberger van zijn persoonlijke schuld aan de armoede in de Derde Wereld, noemt hij “het zich schijnvroom aanmeten van een goed geweten”. Misschien heeft hij daarbij het matzijden werkhemd in zijn achterhoofd gehad. De apocalyptische schildering van de ondergang van het kapitalisme door een aantal voortvarende revolutionairen komt volgens hem voort uit “de wellustige hopeloosheid van dandy's van de revolutie”. Hij schrijft die stukken in een poging tot polemiek met de opstandige generatie, maar die went hautain het hoofd af en reageert niet. Niet lang voor zijn dood in 1984 ziet hij het tij al weer keren. Zijn boeken hebben dan inmiddels in Duitsland en Frankrijk grote oplagen bereikt en Sperber wordt bekroond met vele prestigieuze literaire prijzen in het Duitse en Franse taalgebied. Na zijn dood is de belangstelling voor zijn werk alleen maar toegenomen. Waarschijnlijk omdat zijn eigen leven en zijn werk zo exact de breukvlakken en de teloorgang van vrijwel iedere waarheid in deze bizarre eeuw weergeven. “Als mijn waarheid de vergissing van morgen is?”, zoals hij Socrates heimelijk laat denken, is waarschijnlijk ook het heimelijke levensdevies van Sperber geweest na het failliet van het communisme. Toch werd hij geen oude mopperende cynicus, maar drukte zijn levensfilosofie liever uit in de vorm van contradicties, misschien de laatste waarheid van deze eeuw: “Ik ben een oude revolutionair die niet gelooft in de verlossing door de revolutie. Ik ben een sterk met de joodse traditie verbonden atheïst. Ik ben een onverzoenlijk liberaal, een sceptische moralist en iemand die altijd in een verwachtingsvolle onzekerheid leeft.”