Waarover praatten zij, die drie in het gordijn?.

Waarover praatten zij, die drie in het gordijn?

A: “Een ketting is een manier om hard koud ijzer soepel te maken. Elke ring is onvervormbaar. Maar doordat elke ring kan knarsen om een andere krijgt de ketting de lenigheid van een stuk touw”.

B: “Op de kleuterschool maakten wij ook van die papieren kettingen. Maar dit is geen kinderarbeid. Dit is kantoorarbeid. Zie je die nietjes niet? Iemand heeft zich achter z'n bureau heel erg zitten vervelen”.

C: “In zuidelijke landen hangen van die kralengordijnen, tegenwoordig van stukken plastic. Ziet er in de winkel al aftands uit. Het idee is dat ze vliegen tegenhouden. Ik ben geen vlieg, dus ik weet niet of het werkt. Als mens ben je geneigd het gordijn met de hand weg te houden. Zelfs zo'n papieren schakeltje op je gezicht is irritant, als een vlieg”.

A: “Maar jullie zijn kartonnen figuren, uit dezelfde fröbelklas als de papieren ketting. Jullie zijn zo licht dat zelfs een papieren gordijn je overeind houdt”.

B: “Ik moet die kartonnen C anders stevig vasthouden of hij duikt voorover. Hoe weet ik of jij echt bent, A?”

A: “Mijn haar, mijn geur, mijn stem, mijn vlees, mijn bloed, je moet wel van strokarton zijn om niet te zien hoe echt ik ben”.

C: “Is een vlieg bang voor een kraal?”

B: “Nu zie ik het; die zogenaamde papieren schakels zijn van ijzer. De nietjes zijn er op geschilderd. Daar moet een meestersmid een jaar aan gewerkt hebben”.

A: “Aan jou heeft de kartonknipper niet langer dan een half uur gewerkt. Dotje poppehaar bovenop en elke fotokijker stinkt er in”.

C: “Of houdt de vlieg van een kraal?”

B: “Maar afgezien daarvan. Een gordijn is een scheiding van tafel en bed, een muur zonder de voordelen van een muur, een raam zonder de voordelen van een raam, een deur zonder de voordelen van een deur, een slinger zonder de voordelen...”

A: “Je kan een gordijn opzij schuiven, dan is het weg”.

B: “Je kan een gordijn niet aanschaffen, dan blijft het weg”.

C: “Alsof strokarton ook niet van vlees en bloed is”.

A: “Blijven we hier zo staan?”

B: “Ik laat C vallen. Dans je?”

A: “Op dit moment niet. Maar het lijkt me heerlijk om met een kartonnen man in mijn armen over de dansvloer te walsen. Dat losse dansen is lang genoeg in de mode geweest”.

B: “Hou me vast, dan maken we een ketting van twee schakels”.

C: “De vlieg danst misschien met de kraal. O, ik val!”

O: “Hou allemaal je mond!”