Supernova uit het jaar 185 wel of niet geïdentificeerd

In het jaar 185 zagen Chinese astronomen een "gastster' aan de hemel.

Hun verslag van het verschijnen en weer verdwijnen van deze ster is de oudste beschrijving van een supernova: een ster die ontploft. Een gasnevel aan dit deel van de hemel werd later als het restant van deze ster beschouwd, maar er bleven twijfels bestaan. Nu zou een betere kandidaat zijn gevonden, met in het centrum zelfs het restant van de kern van de ontplofte ster: een pulsar. Deze pulsar is de tweede die met een supernova samenhangt.

In ons melkwegstelsel ontploft er gemiddeld iedere vijftig jaar een ster. Meestal staat die zo ver weg dat men op aarde niets ziet. In de geschiedenis zijn er slechts zeven sterexplosies waargenomen. Van vijf sterren heeft men later ook de gasvormige restanten teruggevonden. Het best bekend is de Krabnevel, die in het jaar 1054 ontstond. In het centrum van deze nevel ziet men zelfs de kern van de ontplofte ster, een zeer snel roterende pulsar.

Van de supernova's van vóór het jaar duizend zijn alleen berichten uit het Verre Oosten bekend. Die uit 185 is opgetekend in kronieken van de H-dynastie. De Amerikaanse astronomen David Clark en Richard Stephenson leidden in de jaren zeventig uit de vage aanwijzingen zo goed mogelijk de positie af en concludeerden dat de nevel MSH14-63 waarschijnlijk de supernovarest was. Maar het bewijs was niet sluitend: de nevel leek te oud en te ver weg en bovendien kon een ster op die plaats in de laatste maand van de gerapporteerde zichtbaarheidsperiode eigenlijk niet zichtbaar zijn geweest.

De Amerikaan Stephen Thorsett heeft nu een nevel gevonden, MSH15-52, die een betere kandidaat lijkt. De nevel bevat namelijk een pulsar die precies de juiste leeftijd heeft. De kans dat er in hetzelfde gebied tweemaal een supernova verschijnt zou heel erg klein zijn. De supernova die dit restant achterliet zou de helderheid van Venus hebben gehad, maar niet overdag te zien zijn geweest, wat klopt met het verslag in de Han-kroniek. Bovendien zou een ster op deze positie in de bewuste laatste maand wel zichtbaar zijn geweest (Nature 356, p. 660 en 690).

De identificatie van de supernova uit 185 is interessant speurwerk, maar ook van belang voor de sterrenkunde. Het nu gevonden restant is duizend jaar ouder dan het tot nu toe oudste restant waarvan men precies de leeftijd kent (dat uit 1054). Onderzoek hieraan zal dus meer inzicht geven in de evlutie van zulke restanten van "middelbare leeftijd'. Dit zou zowel gelden voor de uitdijende en ijler wordende gasnevels als de om hun as tollende pulsars. In een begeleidend commentaar wijst de Australische astronoom R.N. Manchester er echter op dat ook het nu geleverde bewijs nog niet honderd procent waterdicht is, met name waar het de leeftijd van de gasnevel betreft. Hij denkt dat het laatste woord hierover nog niet is gesproken.