"Stoppen doen we ze al niet meer, we hopen nu op hun terugkomst'; Centraal-Europa na de braindrain

"We bevinden ons nog steeds onder water, maar er staat geen 200 meter meer boven ons hoofd, het is nu maar 50 meter.' Deze bittere beoordeling van de toestand van het research in Midden-Europa komt van de 79-jarige Domokos Kosary, hoofd van de Hongaarse Academie van Wetenschappen. Kosary, een historicus die tijdens zijn leven heeft meegemaakt dat het land werd geregeerd door monarchisten, nationalisten, fascisten, communisten en nu door kapitalisten, voegt daaraan toe dat hoewel het water diep genoeg is om te verdrinken, Midden-Europa uiteindelijk hoop heeft boven water te komen.

Maar vraagt men een onderzoeker in bij voorbeeld Praag hoe de situatie voor de wetenschap er in het begin van de volgende eeuw uit zal zien, dan volgt een lange stilte vol onbegrip.

De meeste onderzoekers in Midden-Europa zijn inderdaad zo druk bezig om niet te verdrinken dat zij geen tijd hebben om na te denken over wat zij zullen gaan doen als ze het redden. Ze proberen op het moment het hoofd te bieden aan afnemende onderzoeksbudgets en een massale braindrain. En zij bevinden zich middenin ingrijpende hervormingen voor het onderzoeksysteem die bedoeld zijn vast te stellen welke onderzoekers moeten worden gesteund en hoe de wetenschap kan worden bevrijd van een niet-produktieve denkrichting die goed onderzoek kan bemoeilijken.

De hervormingen zullen, hoe pijnlijk ze ook zijn, uiteindelijk bepalen of de wetenschap in Midden-Europa het hoofd boven water kan krijgen. Dat is de mening van tientallen onderzoekers en regeringsfunctionarissen die ik in maart tijdens een 14-daags bezoek aan het gebied heb genterviewd.

Dat wil zeggen als het wetenschappelijk onderzoek de financiële crisis tenminste kan overleven. De onderzoeksbudgets zijn, behalve in Oost-Duitsland, met 15 tot 50 procent beknot en die trend zal zich waarschijnlijk doorzetten. Het is niet zo dat regeringen in Midden-Europa de noodzaak van een sterke wetenschappelijke infrastructuur niet inzien. "De regering hier is nadrukkelijk niet anti-wetenschap', zegt Jan Pisut, minister van onderwijs in Slowakije en een theoretisch natuurkundige. "Maar het is onze prioriteit om eerst iets aan de economie te doen.'

Fluwelen revolutie

Aanvankelijk hoopten de onderzoekers dat ze zich met hulp van het Westen konden redden. In de euforie die volgde op de Fluwelen Revolutie van Tsjechoslowakije in 1989, zo zegt computerwetenschapper en professor aan de Karel-universiteit in Praag, Ivan Havel, de broer van de Tsjechoslowaakse president Vaclav Havel, "kwamen de mensen uit het Westen om ons in de armen te sluiten en zij zeiden ""Welkom in de democratische wereld''. Wij verwachtten veel hulp daarna.' Maar de hulp die is gekomen bleek "te verwaarlozen.'

De hoeveelheid geld die vanuit het Westen naar het gebied stroomt is vergelijkbaar met "het gieten van water op droog zand', zegt Lawrence Cohen, wetenschappelijk attaché op de Amerikaanse ambassade in Boedapest. Cohen helpt bij de uitvoering van een gemeenschappelijk gefinancierd Amerikaans-Hongaars programma met een jaarlijks budget van 2 miljoen dollar, waarvan elk land de helft betaald. Het programma dekt weinig meer dan de reiskosten voor wetenschappers die elkaar bezoeken. Niettemin kunnen zelfs kleine hoeveelheden geld wonderen verrichten, aldus Cohen. "Met een dollar kan men hier veel meer doen dan in de VS.' Als men het geld op een verstandige manier besteedt kan weinig geld enorme effecten hebben.' Maar het op een verstandige manier verdelen van geld is lang niet genoeg: zoals experts op het gebied van buitenlandse hulp hebben ontdekt in de Derde Wereld, schept het uitgeven van geld eenvoudig de behoefte aan meer.

Nieuw knelpunt

Tamas Horvath, die de leiding heeft van een van de grootste hulpprogramma's met betrekking tot onderzoek - het "Catching Up With European Higher Education Fund' in Boedapest met een budget van 100 miljoen dollar, dat is opgezet met een lening van de Wereldbank en als doelstelling heeft de omstandigheden op de universiteiten in Hongarije te verbeteren - ziet dit als een bottle-neckprobleem: zodra je geld stopt in een onderdeel verschijnt er een nieuw knelpunt.

Een voorbeeld. Het fonds zal geld verstrekken voor nieuwe laboratoriumuitrusting voor studenten, maar die uitrusting kan alleen maar geplaatst worden in gebouwen die "op instorten staan'. Hongarije kan het zich niet permitteren die te renoveren. Havel signaleert hetzelfde probleem op de Middeneuropese universiteit in Tsjechoslowakije. "De in New York gevestigde Soros Foundation gaf ons 5 miljoen dollar, wat heel genereus was. Maar wij van onze kant moesten een geschikt gebouw vinden in Praag met standaarden die hoog genoeg waren voor een Westerse organisatie. Voor ons was dat ontzettend moeilijk. Het is net zoiets als het geven van een plezierjacht zonder een kompas, terwijl we geen kompas kunnen betalen. Wat moeten we doen? Het jacht teruggeven?'

Eén consequentie van de budgetcrisis en de toegenomen vrijheid om te reizen is voorspelbaar. Onderzoekers zijn in horden vertrokken op zoek naar groenere weiden in het Westen. In Tsjechoslowakije zijn de jonge onderzoekers bijna geheel verdwenen. Toen Jan Konvalinka, een van de weinige onderzoekers van midden dertig die nog te vinden is in de gangen van het complex van de Academie van Wetenschappen op het Vlamingplein in Praag, werd gevraagd naar het percentage doctoraal en post-doctoraal studenten dat naar het buitenland vertrok, antwoordde hij simpel: "Honderd procent.'

De meeste landen hebben ingezien dat het geen zin heeft de braindrain tegen te houden. In plaats daarvan hoopt men dat de wetenschappers in het buitenland kunnen worden "geparkeerd" terwijl de infrastructuur wordt verbeterd. De maatstaf voor succes verschuift van "Hoeveel jonge wetenschappers heeft u overgehaald te blijven?' naar "Hoeveel denkt u er te kunnen terugkrijgen, al is het maar tijdelijk?'

Inflatie

In Hongarije, in economisch opzicht één van de meest vooruitstrevende landen van Midden-Europa houden de salarissen van wetenschappelijk medewerkers net als die van de gemiddelde bevolking "op geen stukken na gelijke tred met de inflatie', zegt het hoofd van de Academie Kosary. Daarom moedigt hij zelfs de onderzoekers die op langere termijn in Hongarije willen blijven aan voor drie maanden of een half jaar een baan in het buitenland te zoeken.

Voor degenen die achterbljven is het belangrijkste punt de noodzaak van onpartijdige beoordeling van de bestaande wetenschappelijke instituten, om vast te stellen waar de schaarse fondsen het best kunnen worden genvesteerd. Tot nu toe is Duitsland het enige land dat een omvattend overzicht heeft gemaakt, hoewel er deelevaluaties zijn geweest in alle andere landen.

Oostduitse wetenschappers denken te weten hoe het verder moet. Alfred Schellenberger van de universiteit van Halle zegt: "We weten zeker dat de andere landen niet in de positie zijn zichzelf te beoordelen. Dit heeft alleen zin als 80 tot 100 procent van de beoordelaars van buitenaf komt. Anders zal de beoordeling in een hopeloos gevecht eindigen.'

Harde weg

Dat lijkt inderdaad te gebeuren. Jan Konvalinka van het instituut voor Organische Chemie van de Academie in Praag zegt: "Je hebt een zachte en een harde weg om het wetenschappelijk onderzoek effectief te reorganiseren - ofwel extra geld voor de winnaars ofwel de politieke macht om de verliezers te lozen. In ons land hebben we dat allebei niet.'

Daarom zo zegt een andere Praagse onderzoeker is het een "nachtmerrie-achtige ervaring' om zitting te hebben in een beoordelingscommissie. Van de twaalf mensen uit zijn commissie, herinnert deze onderzoeker zich, hadden slechts vier of vijf gepubliceerd in gerenommeerde bladen en de meerderheid van de commissie kwam zelf in aanmerking om ontslagen te worden. Het is niet verbazingwekkend, zo zegt hij, "dat we niet in staat waren tot conclusies te komen.'

Polen en Hongarije gaan beide in de richting van een beoordeling van hun instituten die de onderzoekers zullen accepteren. In Polen heeft het parlement bij voorbeeld een Staatscommissie voor wetenschappelijk onderzoek aangesteld, de KBN genaamd, die de macht heeft budgetgeld te distribueren naar de instituten van de Academie en de universiteiten op grond van verdiensten. De KBN draait de kraan al dicht voor de minst veelbelovende instituten en de procedure lijkt goed te verlopen, volgens de voorzitter Witold Karczewski.

Maar er is een reden om te geloven dat het optimisme van Karczewski misschien voorbarig zal blijken: een mentaliteit onder wetenschapsmensen die is voortgekomen uit veertig jaar leven onder het communisme die het moeilijk maakt om een geloofwaardige beoordeling van collega's te geven en de resultaten daarvan te accepteren. "Zelfs als de beoordeling van collega's op een eerlijke manier gebeurt, is de eerste impuls van de mensen als ze worden afgewezen, te denken dat hier sprake is van een samenzwering of voorwendsel', zegt de fysicus Andras Potkos van de Eötvös universiteit in Boedapest. Dat is de grootste bedreiging - na het geldgebrek - voor het opzetten van een effectieve structuur in Midden-Europa, aldus Cohen. Hij merkt op dat op de Hongaarse Academie van Wetenschappen de beoordelaars bij voorbeeld niet verplicht zijn hun beslissing schriftelijk te rechtvaardigen, wat demoraliserend werkt voor degenen die een negatieve beoordeling krijgen. "En als ik hun probeer duidelijk te maken dat dit moet worden verbeterd', zegt hij, reageert de Academie zo afwerend, dat het net is "alsof ik hun manlijkheid in twijfel trek.' Beoordeling van collega's "werkt alleen als het geloofwaardig is', aldus Cohen.

Makkelijke broodwinning

De niet-produktieve mentaliteit van veel onderzoekers in het voormalige Oostblok stamt ook uit het leven onder een systeem waar het bedrijven van middelmatige wetenschap een makkelijke broodwinning was. Daarom is er ook als de onderzoekers het beste instrumentarium wordt gegeven, zoals in Oost-Duitsland, geen garantie voor succes. Op het Centrum voor Moleculaire Geneeskunde in Oost-Berlijn, waar de nieuwe directeur is geprezen door zijn Oostduitse staf omdat hij hun de kans heeft gegeven zichzelf te bewijzen, zegt een Oostduits staflid dat de resultaten tot nu toe teleurstellend zijn. "De directeur verwachtte dat het wetenschappelijk niveau van de mensen snel zou stijgen als ze eenmaal onder goede omstandigheden konden werken', zegt deze onderzoeker. "Maar dat zal waarschijnlijk een illusie blijken te zijn. De mensen lijken zich gewoon niet te kunnen aanpassen aan de nieuwe omstandigheden.'

Bovendien heeft het tumult van de reorganisatie - ook al heeft deze fantastische nieuwe mogelijkheden verschaft - de onderzoekers en hun personeel onthutst achtergelaten. Cornelius Frömmel, directeur van de research-afdeling van het prestigieuze Charité-ziekenhuis zegt hierover: "De mensen zijn zo druk met hun eigen problemen en de onmiddellijke toekomst dat zij de nieuwe mogelijkheden niet benutten.'

Maar voor de meeste onderzoekers die worstelen met het beoefenen van de wetenschap in Midden-Europa liggen de nieuwe kansen niet voor het oprapen. Nu het niet waarschijnlijk lijkt dat hun door het Westen een zwemvest wordt toegeworpen, klampen ze zich overal aan vast en hopen dat de economie in het gebied uiteindelijk zal aantrekken en de wetenschap zal redden.

Foto's: Domokos Kosary

Ivan Havel

De Hongaarse Academie van Wetenschappen in Boedapest

Het Charité ziekenhuis in Berlijn, een van de oudste universiteitsklinieken van Duitsland