Steeds meer leren; "Wie voor een "onnutte' studie kiest, moet een groter deel van de studiekosten betalen dan iemand die kiest voor techniek, economie of een exact vak'

Hoeveel onderwijs heeft een land nodig: dat hoorde volgens prof.dr. J. Dronkers in een interview met deze krant de grote vraag van een nationaal onderwijsdebat te zijn. Maar valt die vraag te beantwoorden? Daarover gaat de laatste aflevering van de serie artikelen naar aanleiding van de NRC Handelsblad onderwijsenquête.

Een belangrijk maatschappelijk probleem dat zorgvuldig buiten de publieke discussie wordt gehouden. Zo karakteriseerde de Amsterdamse onderwijskundige prof.dr. J. Dronkers enkele jaren geleden de vraag of het nodig is om steeds meer mensen alsmaar langer onderwijs te laten volgen. Is er zo langzamerhand geen sprake van overscholing, zo vroeg hij zich af in een essay dat hij in augustus 1990 schreef naar aanleiding van een rapport van de OESO over het Nederlandse onderwijs. Een beetje bozig verweet Dronkers de OESO-onderzoekers gemakzucht. Zij zouden de ""fundamentele vraag of het huidige onderwijs wel bijdraagt aan de Nederlandse economie'' niet hebben gesteld.

Toch woedt over die vraag al een kleine tien jaar een soms pittige discussie in de vakbladen. Dronkers is daarin een van de partijen. Het onderwijs heeft in de eerste drie decennia na de oorlog een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van Nederland. Daarover zijn de meeste deelnemers aan de discussie het met elkaar eens - al blijkt het moeilijk precies aan te geven hoe groot die rol van het onderwijs precies is geweest. De meest gebruikte schatting is dat vijf procent van de economische ontwikkeling rechtstreeks aan het onderwijs is te danken. Daarbij komt, indirect, nog eens het aandeel van het onderwijs in de technologische ontwikkeling. De technologie zou verantwoordelijk zijn voor 17 procent van de economische groei, zo rekende de econoom dr. J.J.M. Ritzen voor volgens een overigens door Dronkers bestreden methode.

Nederland was in de eerste jaren na de oorlog "onderschoold' en er was een forse krachtsinspanning nodig om de scholing op een peil te brengen dat paste bij een moderne samenleving. Maar dat heeft een ontwikkeling op gang gebracht die niet meer bleek te stoppen op het moment dat sommigen zich begonnen af te vragen of de kosten van al die scholing nog wel opwogen tegen de baten ervan voor de economie. Worden de persoonlijke baten van zo lang en zo hoog mogelijk onderwijs voor velen niet disproportioneel groot in vergelijking met het maatschappelijk nut?

De discussie is deze eeuw al vaker gevoerd. Vooral in perioden waarin het economisch wat minder ging werd opgemerkt dat wel erg veel mensen een dure opleiding kregen. "Waar was dat nou voor nodig' op het moment dat, zoals de mare gaat, de ingenieur als trambestuurder ingeburgerd raakte?

In werkelijkheid blijkt de vraag hoeveel onderwijs nodig is in een moderne samenleving nauwelijks te beantwoorden - de maatschappelijke, technologische en economische ontwikkelingen suggereren dat er nooit te veel onderwijs kan worden genoten. Zeker niet als blijkt dat door de stijging van het algemene ontwikkelingsniveau ook de gemiddelde intelligentie toeneemt en mensen dus in staat zijn onderwijs van een nog weer hoger niveau te volgen. Volgens de onderzoekers zijn er tal van aanwijzingen voor een verband tussen de stijging van het opleidingsniveau en de economische groei, maar goed te bewijzen is het niet.

Te slim

Er is vrijwel geen empirisch onderzoek gedaan naar de behoefte aan onderwijs en ook onderzoek naar de vraag of onderwijs nog steeds bijdraagt aan de economische ontwikkeling is schaars. Een van degenen die in de afgelopen tien jaar heeft geprobeerd er enig zicht op te krijgen is de Nijmeegse hoogleraar in de sociale bedrijfskunde dr. F. Huijgen. Hij onderzocht de relatie tussen scholing en functieniveau van mensen in zeven bedrijfstakken, waarbij hij gegevens gebruikte uit 1960, 1971, 1977 en 1985.

Huijgen komt tot de conclusie dat het niveau van de functies die mensen uitoefenen in de loop van de tijd minder is gestegen dan dat van hun opleiding. Dit leidt tot afnemende kansen op passend werk: mensen zullen steeds vaker werk moeten doen dat onder het niveau van hun opleiding ligt, zo concludeert hij in de bundel De open samenleving. Er is derhalve sprake van onderbenutting en bovendien drukken hoger opgeleiden lager opgeleiden uit hun banen. Velen zouden te slim voor hun werk zijn geworden - al is de kans om werkloos te worden voor hoger opgeleiden aanzienlijk kleiner dan voor degenen die het met minder onderwijs hebben moeten doen.

Bij de conclusies van Huijgen worden forse kanttekeningen gezet. Onder anderen door de Groningse sociologen R. Wielers en A. Glebbeek in het tijdschrift Mens en Maatschappij van najaar 1990. Daarin constateren zij dat Huijgen onvoldoende rekening heeft gehouden met de inhoudelijke verzwaring van functies, onder meer als gevolg van de technologische ontwikkelingen. Wielers en Glebbeek wijzen er op dat hogere scholing leidt tot een grotere produktie in die functies. Bovendien kunnen moderne technologieën nu gemakkelijker worden geïntroduceerd, zo constateren ze, en ook dat draagt bij aan de economische ontwikkeling. Het is derhalve de vraag in hoeverre er op de arbeidsmarkt daadwerkelijk sprake is van onderbenutting van het door het onderwijs geleverde potentieel, zo constateren Wielers en Glebbeek.

Ze vinden dan ook dat de huidige trend van meer mensen die langer en hoger onderwijs volgen, moet worden voortgezet. Onderwijs heeft meer functies dan alleen het dienen van de economie. Kennelijk groeit de Nederlandse bevolking onder zulke omstandigheden op dat een groeiend deel ervan in staat is steeds hoger onderwijs te volgen. Het lijkt ook niet goed voorstelbaar dat in een land waarin de ontwikkeling van menselijke kennis een belangrijk uitgangspunt voor beleid is, dat potentieel niet ten volle wordt benut.

Overigens vallen op de arbeidsmarkt nauwelijks tekenen van aanzienlijke overscholing te bespeuren. Werkgevers investeren steeds meer in de scholing van hun personeel - met name ook van degenen die net uit de schoolbanken komen. Dat wijst niet op een te hoog scholingsniveau. Men kan hooguit hopen dat de aanvullende scholing (voor een bedrag van naar schatting zeven miljard gulden per jaar aan kosten vanr onderwijs en gederfde inkomsten) aansluit op het op school geleerde.

Dit beeld past bij de uitkomsten van onderzoek die twee medewerkers van het Centraal Planbureau, B. Kuhry en R. van Opstal, in 1988 in het economenblad ESB publiceerden. Zij laten zien dat het aanbod van mensen met maximaal MAVO of LBO tussen 1975 en 2000 daalt van 55 tot 35 procent van de beroepsbevolking. De "winst' is te vinden bij de middelbaar en hoger opgeleiden, waarvan de omvang met tien procent stijgt. Die ontwikkeling loopt parallel met de verwachte ontwikkeling van de werkgelegenheid, zij het dat die voor de laagst opgeleiden veel sterker daalt dan het aanbod. De stijging van de vraag naar hoger opgeleiden doet zich vooral voor bij degenen die een opleiding aan een hogeschool achter de rug hebben en minder bij hen die over een universitaire bul beschikken.

En onlangs betoogde in hetzelfde blad ESB K.J.M. Burger, een medewerker van het ministerie van onderwijs, dat er in Nederland in het geheel geen sprake is van overscholing. Weliswaar stijgt het gemiddelde niveau van het genoten onderwijs, maar lang niet zo sterk als in veel andere landen van de OESO. Volgens Burger vertoeft Nederland in de onderste helft als wordt gekeken naar het opleidingsniveau van de (potentiële) beroepsbevolking.

Nieuwe kaste

Helemaal probleemloos is de stijging van het niveau van het onderwijs derhalve niet. Echte, nauwelijks onoplosbare problemen doen zich vooral voor aan de onderkant van het onderwijsgebouw. Wil beroepsonderwijs goed aansluiten op de arbeidsmarkt dan moet het niveau van de opleidingen redelijk hoog zijn - ook van de laagste op de ladder -, zo leert de praktijk. Daardoor is het gevaar levensgroot dat voor velen binnenkort de laagste opleiding niet meer haalbaar is. Zij worden dan de nieuwe kaste van "have nots', voor wie nauwelijks nog een behoorlijke toekomst is weggelegd. Zeker als de vraag naar ongeschoolde arbeid drastisch afneemt, zoals in Nederland, maar sterker nog in veel andere Europese landen, aldus het rapport Kwalificatietekorten in Europa van een adviesraad van de Europese Commissie.

Dit rapport van de Industrial Research and Development Advisory Committee (IRDAC) maakt duidelijk dat Europa èn Nederland de komende decennia alle zeilen moeten bijzetten om voldoende hoger opgeleiden af te kunnen leveren wil Europa succesvol kunnen blijven concurreren met Japan en de Verenigde Staten. De komende twintig tot dertig jaar voorziet de IRDAC een inkrimpende beroepsbevolking. Steeds meer mensen moeten hoger onderwijs volgen om in de behoefte aan hoger opgeleiden te kunnen voorzien. Ook los daarvan is in een aantal landen een forse uitbreiding van het aantal studenten voorzien. Zo streeft Engeland naar een percentage van dertig procent van de 18-jarigen die hoger onderwijs volgen. In Frankrijk moet dat percentage meer dan veertig worden.

In het Hoger Onderwijs- en Onderzoekplan (HOOP) dat oud-minister Deetman in 1987 publiceerde werd er op gewezen dat in Nederland rond het jaar 2000 ruim dertig procent van de 18-jarigen hoger onderwijs moet volgen, wil het aantal studenten enigermate op peil blijven. Er zullen dan immers zo'n 25 procent minder jongeren van 18 tot 22 jaar zijn dan op dit moment. (In feite is het aantal eerstejaars aan de universiteiten in de afgelopen vijf jaar al met zo'n tien procent gedaald. Dat dit tot dusver niet uit de gepubliceerde cijfers blijkt komt doordat steeds meer afgestudeerden uit het hoger beroepsonderwijs naar de universiteit overstappen.)

Ritzen, nu als minister, had dertig procent als streefpercentage in 1990 ook in het concept van zijn begroting opgenomen. De betreffende passage is geschrapt uit vrees dat daardoor al op korte termijn de uitgaven voor studiefinanciering zouden stijgen.

Het IRDAC voorziet de komende jaren grote tekorten aan (hoger) opgeleiden met een exacte opleiding. Uit de cijfers van het Committee blijkt dat Nederland het in Europa wat dat betreft niet slecht doet: de belangstelling voor de exacte vakken onder universitaire studenten komt overeen met het gemiddelde in Europa. Het IRDAC pleit voor een zodanige aanpassing van het onderwijs dat iedereen die het onderwijs verlaat beschikt over een basale kennis van de exacte vakken.

Als dat gebeurt is waarschijnlijk ook een deel van Dronkers zorgen voorbij. In zijn eerder genoemde essay breekt hij er zich het hoofd over dat zo velen voor hogere opleidingen kiezen waarvan het economisch nut niet onmiddellijk voor de hand ligt. De voorbeelden liggen voor de hand: de studies in de alfa- en gammasfeer. Hij stelt voor om degenen die voor zo'n "onnutte' studie kiezen een groter deel van de studiekosten te laten betalen dan degenen die een opleiding volgen, zoals techniek, economie of een exact vak, waarmee ze een bijdrage leveren aan de economische groei van het land.

Het typisch Nederlandse in het voorstel van Dronkers zit hem in de gedachte dat je met (bijvoorbeeld) een studie kunstgeschiedenis alleen een functie op het bijpassende niveau kunt uitoefenen die direct aansluit op de opleiding. Dat de studierichting er in veel functies geleidelijk aan steeds minder toe doet - een groot deel van het bijscholingsbudget op de arbeidsmarkt wordt besteed aan het specialiseren van net afgestudeerde hoger opgeleiden - is in ons land nog geen gemeengoed. In de Angelsaksische landen zijn ze wat dat betreft al een stap verder. Daar blijkt een studie in de klassieke talen (maar het mag ook een andere studierichting zijn) vaak een uitstekende ondergrond voor managers van grote ondernemingen of voor andere maatschappelijke functies.