Pijn bij dieren

Als bijzonder hoogleraar in de dierproefvraagstukken volg ik met belangstelling het debat over de mogelijkheid of onmogelijkheid van lijden bij dieren.

Vanuit deze betrokkenheid heeft onze afdeling in 1988 het initiatief genomen om de wetenschappelijke merites van het onderzoek van prof. Verheijen naar pijn bij vissen ter discussie te stellen in Biovisie. Bij die gelegenheid zijn de methodische problemen die verbonden zijn aan pijn-onderzoek bij niet-menselijke wezens uitgebreid aan de orde gekomen. Ook de conclusie die Bermond en De Bruin (Brief: Vissen en Pijn, W&O 16 april, een reactie op het artikel van prof. Verheijen) dat het wetenschappelijk ondergrond is om over leed bij vissen te speculeren omdat geen enkel hard feit dit ondersteunt viel daar te beluisteren. De voorstanders van deze optie kunnen zich inderdaad verheugen op het feitelijke gelijk dat zij hebben, wanneer zij stellen dat persoonlijke emoties alleen kenbaar zijn aan de persoon zelf. Want zelfs bij mensen onderling, wordt door hen aangevoerd, kunnen wij immers niet afgaan op wat de ander zegt of in zijn gedrag laat zien (Bermond en De Bruin halen in dit verband allerlei pathologieën aan). Wellicht hebben diegenen die dit voorstaan wel de waarheid in pacht maar deze waarheid is echter weinig zinvol. Veel zinvoller voor ons functioneren in het leven is juist, de wellicht aanvechtbare hypothese dat het pijngedrag van de ander gepaard gaat met de zelfde emoties die ik uit eigen ervaring ken. De dagelijkse bevestiging van deze hypothese overruled het marginale aantal van pathologieën die Bermond en De Bruin aanhalen. De volgende vraag is echter wel terecht door hen (en Verheijen in zijn inleiding) gesteld: In hoeverre geldt dit ook voor niet menselijke wezens? Beseffende dat een dier, laat staan een vis, het ons nooit in ABN kan vertellen (en dan nog kan er iets anders gevoeld worden) dat hij lijdt, kunnen we niets anders doen dan niet-talige fenomenen verzamelen die gelijktijdig optreden met de menselijke mededeling van pijn. Hoe meer er daarvan ook bij dieren voorkomen, hoe meer plausibel de bewering wordt dat een dier hetzelfde ervaart als wij. In plaats van het harde bewijs gaat het in dit geval veel meer om de plausibiliteit van de argumenten.

Echter tegenover de zorgvuldige argumentatie van Verheijen brengen Bermond en De Bruin slechts een serie retorische drogredeneringen in stelling. Naast de al genoemde "generalisatie' waarbij op grond van abnormaal werkende hersenen wordt geconcludeerd dat in het algemeen niet mag worden gezegd dat er een nauw verband zou bestaan tussen pijngedrag en pijnbeleving. Wordt er vervolgens een mistige analogie met machines opgezet waaruit het verwijt wordt afgeleid dat Verheijen geen enkele poging doet tot functionele beschrijvingen. Zijn stuk staat echter vol functionele beschrijvingen (lucht uit de zwemblaas laten ontsnappen om op de bodem te herstellen van de schade; een vis met een haak in zijn bek voelt geen pijn omdat deze normaal gaat voedsel zoeken). Vanuit de aangehaalde machine-analogie wordt ten slotte verweten dat Verheijen over het hoofd ziet dat de "karakteristieke zesvoudige gelaagdheid' van de zoogdieren neocortex ontbreekt bij de vissen zodat er eigenlijk geen structuur aanwezig is voor associaties en dus ook niet voor leedervaringen. Zo'n kritiek is natuurlijk verre van functioneel en verraad een sterk materialistisch uitgangspunt: geen neocortex, dus geen bewuste ervaring! Een verbazende uitspraak voor een etholoog als De Bruin die toch moet weten dat je ook uitstekend met stekelbaarzen leerproefjes en cognitie-onderzoek kan uitvoeren. Ook een vis heeft een geheugen en kan associaties leggen die niet onderdoen voor die van een rat: zelfs zonder zesvoudige gelaagdheid!

Hiermee blijft ook de laatste pijler van het betoog van Verheijen staan, en hoop ik dat Verheijens kruistocht tegen het onwetenschappelijke vooroordeel van de vis als gevoelloze koudbloedige dumbo voort moge gaan.