Overschie is het modeldorp voor koninginnedag

ROTTERDAM, 30 APRIL. Een hand van de koningin hoeft ze niet per se. Mevrouw Kool wil niet opdringerig lijken. “Maar als ze me aankijkt ben ik al heel blij.” Het huis van de oudste inwoonster van Overschie is deze ochtend te klein - ze woont aan de Dorpsstraat, langs de koninklijke route.

Rond acht uur stonden de eerste familieleden en vrienden al op de stoep. Maar op het moment suprème is op het televisietoestel - hemelsbreed op nog geen vijf meter van de koningin - het meest te zien.

De deelgemeente Overschie, waar vanmorgen om kwart voor tien de koninklijke familie in Rotterdam werd ontvangen, is een modeldorp voor koninginnedag. De straten zijn smal, de huizen klein, soms drie eeuwen oud en dus schilderachtig. Van oudsher voelt Overschie zich aangetrokken tot het Oranjehuis. In een publikatie uit 1784 is te lezen dat op de verjaardag van “Haare Koninglyke Hoogheid het Dorp met Vlaggen en Wimpels was vervuld”. Dat schreef "een heer uit Schiedam' vol onbegrip aan zijn vriend te Dordrecht. En drie jaar later werd het prinselijk leger, op weg naar Den Haag om de strijd aan te binden met de patriotten, door een juichende menigte binnengehaald in de Dorpsstraat.

Alleen prins Hendrik werd het in 1921 lastig gemaakt: toen hij met de postkoets vanuit Rotterdam het dorp naderde werd hem de toegang geweigerd omdat hij niet genoeg geld op zak had om de tolgaarder tevreden te stellen, zo gaat het verhaal. Dit jaar heeft de Oranjevereniging met behulp van een kleine dertig sponsors 35.000 gulden bijeengesprokkeld om koningin Beatrix en prins Claus op passende wijze te ontvangen.

Overschies oudste burger is tachtig en leeft dezer dagen in de zevende hemel. “Ik vind het zó iets moois dat ze hier is”, zegt mevrouw Kool. “Dat ik dit nog op mijn leeftijd mag meemaken. Ik hoorde iemand op het Afrikaanderplein zeggen: "ik ga naar het voetballen van m'n zoontje kijken als de koningin er is'. Zoiets begrijp ik niet.”

Zo moeilijk als de Afrikaanderwijk te porren leek voor het Koninginnefeest, zo soepel verliepen de voorbereidingen in Overschie. De bewoners stonden dagenlang nijver te timmeren, te schrobben en te verven. “We hebben hier een traditie hoog te houden”, zei een vader vanmorgen langs de route. Waar dat gevoel vandaan komt kan niemand vertellen, het is er gewoon.

Toen ruim twee maanden geleden bekend werd dat de oranjestoet uitgerekend langs haar huis zou lopen, greep mevrouw Kool direct naar de telefoon. Schoonzusters en vriendinnen zitten om negen uur met koffie voor de buis. Eerst verschijnt de ploeg van de stads-tv in beeld, daarna schakelt zij over naar de NOS. Beide zendgemachtigden zijn al bij haar op bezoek geweest, gretig op zoek naar een sfeerplaatje vooraf, omdat de bewegingsvrijheid in de Dorpsstraat tijdens het bezoek tot nul is gereduceerd.

“Ik ben echt blij dat Claus er weer bij is”, zegt mevrouw Kool. “Vooral voor Beatrix. Het is toch fijn als je echtgenoot bij je is.” Ze heeft geen oranje kleren aangetrokken. Wel haar mooiste blouse, met daarop een klein vilten oranjespeldje. Voor het raam heeft ze een oude mok uit 1923 neergezet, een aandenken aan het 25-jarig jubileum van koningin Wilhelmina. Buiten, achter de dranghekken op het minuscule stoepje verdringen bewoners, oranjetoeristen, pers en NOB-camera's elkaar om een glimp op te vangen van de stoet.

De Oranjevereniging bood de koninklijke familie vanmorgen een aantal historische taferelen aan die het gevoel van een ouderwets dorpsfeest moesten oproepen. De paardentram die lang geleden tussen Overschie en het Hofplein pendelde, is weer van stal gehaald, evenals de postkoets uit Delft. Een vriendin van mevrouw Kool verdedigt de traditionele klompenrace, die volgens kennissen uit de stad “in de Achterhoek” thuishoren. “Wij mogen dan een deelgemeente zijn van Rotterdam, we zeggen nog altijd: "ik ga naar het dorp'. Dit is toch geen stad hier?”, zegt mevrouw Kool. En na enig nadenken: “Misschien is iedereen daarom zo enthousiast.”