Overheid neemt integratie van minderheden niet serieus

Integratie als begrip is vaag en wordt veelal verschillend geïnterpreteerd. Voor de één betekent het niet veel meer dan een functionele aanpassing, zoals het spreken van de taal. Voor de ander verwijst het naar het opgaan van de minderheid in de meerderheidscultuur.

Integratie is voor mij: deel gaan uitmaken van het geheel. En dus niet: hetzelfde worden als het geheel. Dit vereist enerzijds de bereidheid van allochtonen om zich te gedragen als volwaardige burgers, en anderzijds de bereidheid van de samenleving om hun de mogelijkheden voor die volwaardige deelname eraan te garanderen.

Het integratieproces is pas geslaagd, als de betrokken groepen volledige toegang hebben tot alle sectoren van de samenleving zonder gehinderd te worden door raciale, culturele of etnische criteria. Daarnaast vereist een geslaagd integratieproces het bestaan van sociale en juridische mogelijkheden voor allochtonen om de eigen cultuur vorm te geven en te beleven. Wanneer hierdoor algemene normen worden overtreden, zal de omgeving met betrokken groepen in overleg moeten treden. Een geslaagd integratieproces vereist daarom bovendien het bestaan van een dialoog tussen beide partijen om de hierboven genoemde ruimte af te bakenen. Deze dialoog kan alleen adequaat verlopen als de samenleving de groepen in kwestie of hun vertegenwoordigers als serieuze gesprekspartners beschouwt.

De aankondiging door de minister van binnenlandse zaken van het minderhedendebat over integratie, is het duidelijkste bewijs dat het beleid op dit terrein in een crisis verkeert. Deze toezegging is niets anders dan een politieke camouflage van het falende minderhedenbeleid. Voor de ingewijden is er namelijk al sinds 1970, het jaar waarin de Nota-Roolvink over arbeidsmigratie aan de Kamer werd gepresenteerd, een minderhedendebat aan de gang. Tevens heeft de WRR in 1989 een advies over hetzelfde onderwerp aan de regering uitgebracht.

Het debat heeft begin maart geresulteerd in een rapport uitgebracht door drie besloten werkconferenties georganiseerd door het Nederlands Gespreks Centrum. Het rapport, dat prof. A. van der Zwan aanbood aan minister Dales, wordt gekenmerkt door een eenzijdige gerichtheid op blaming the victim, men zoekt de schuld voor de achterstand bij de betrokken groepen. Tevens is het qua toonzetting en stellingname een klap in het gezicht van de minderheden, die nooit te voren zo geproblematiseerd zijn geweest.

Het rapport suggereert onder andere dat de veiligheid van minderheden primair bedreigd wordt door conflicten binnen de eigen gemeenschap. Het pleit tevens voor hardere straffen, inclusief uitzetting uit Nederland. Ook moeten zij gedwongen worden om Nederlands te leren - alsof ze zouden weigeren dit te doen.

Binnenlandse Zaken en het Gesprekscentrum meenden naïevelijk dat een problematiek die decennia lang zonder noemenswaardig resultaat is besproken door politiek, media en wetenschap, op een achternamiddag kon worden aangepakt. Alleen al deze gedachte laat zien dat men niet serieus bezig is met de integratie van minderheden.

Naar aanleiding van dit rapport schreef minister Dales op 27 maart een brief aan de Kamer met 14 zinnige suggesties, die volgens haar mede hierdoor zijn geïnspireerd. Maar het ontbreken van de harde taal, en de relatief grote aandacht in de brief voor het bestrijden van obstakels die in de samenleving gelegen zijn, impliceren dat ook de minister dit rapport - terecht - niet serieus neemt.

Een goed integratiebeleid dient gebaseerd te zijn op drie pijlers. Ten eerste op de acceptatie van de minderheden als landgenoten met alle rechten en plichten die hierbij horen. Dit betekent dat men concrete stappen moet nemen om de steeds groeiende indeling van de samenleving in termen van "wij' en "zij' weg te werken. Dit vereist een langdurige en brede voorlichtingscampagne aan autochtonen en allochtonen. Eveneens is een pakket maatregelen nodig in het onderwijs, in de media, op de werkvloer en in de buurten. Hier is ook een zeer belangrijke taak weggelegd voor de politici en de media. Deze zouden er alert op moeten zijn om minderheden niet te stigmatiseren als zorg-categorie of hun cultuur als barbaars.

De tweede pijler is de gedegen aanpak van de oorzaken van de sociaal-economische achterstand van minderheden die in de samenleving zijn gelegen. Het gaat hier met name om het harder aanpakken van directe en indirecte vormen van discriminatie, het voeren van een positieve actie op de arbeidsmarkt en de verbetering van de juridische positie inclusief de verruiming van naturalisatiemogelijkheden. Op het terrein van positieve actie zijn reeds enkele stappen gezet. Een aantal gemeenten heeft een zogenaamd "afspiegelingsbeleid' ingevoerd en de Stichting van de Arbeid kwam in 1990 met een plan om binnen vijf jaar 60.000 arbeidsplaatsen voor minderheden te creëren. De eerste evaluatie van de resultaten heeft echter aangetoond dat slechts een kwart van de bedrijven op de hoogte was van de inhoud van dat akkoord.

Een en ander was aanleiding voor de fracties van Groen Links. D66 en de VVD in de Tweede Kamer om met een initiatiefwet "Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen' te komen. Het voorstel komt kortweg neer op de verplichting van arbeidsorganisaties met meer dan 35 werknemers tot jaarlijkse rapportage over de etnische samenstelling van hun personeelsbestand en over hun plannen om een evenredige vertegenwoordiging van allochtonen te bereiken. Overtredingen van deze rapportageplicht zullen komen te vallen onder de Wet op economische delicten.

Dit voorstel verdient alle lof omdat het de eerste concrete stap is in de goede richting. Het gaat veel verder dan wat het kabinet, de werkgeversorganisaties en de SER willen.

Gesteld dat dit voorstel politiek haalbaar is, dan dienen de verwachtingen echter niet te hoog gestemd te zijn. Een optimaal functioneren van deze wet zou kunnen worden doorkruisd door een aantal oneffenheden. Men verwacht te veel van de maatschappelijke druk op de werkgevers, terwijl ervaringen in het buitenland met een dergelijke aanpak geen aanleiding geven tot optimisme. Een gesanctioneerd quoteringssysteem, eventueel alleen bij overheidsinstellingen, garandeert naar mijn mening een beter resultaat. Daarnaast ontbreekt in dit voorstel een specifiek institutioneel kader, naar voorbeeld van de Engelse Commission for Racial Equality, om de werking ervan te stroomlijnen. Een dergelijke instelling zou de bevoegdheid moeten hebben om richtlijnen voor een goed personeelsbeleid op te stellen en mogelijke discriminatie te onderzoeken.

De derde pijler van goed integratiebeleid betreft de gezamenlijke aanpak van de problematiek. Dit vereist dat de minderhedenorganisaties serieus worden genomen, door hun zowel een eigen verantwoordelijkheid als financiële ondersteuning te geven bij het bestrijden van obstakels die bij de groepen zelf gelegen zijn. Men denke hierbij aan zaken als het lezen van de Nederlandse taal, de bevordering van scholing, voorlichting, het terugdringen van schoolverzuim en de bevordering van inburgering in de samenleving.

Voor de minderheden betekent dit op de allereerste plaats dat zij orde op zaken moeten stellen binnen de eigen gelederen - iets, dat tot nog toe nauwelijks is gelukt. Gestreefd moet worden naar een situatie waarin duidelijk wordt wie wat vertegenwoordigt. Wanneer minderheden niet tot een democratische bundeling van bestaande politieke en religieuze organisaties kunnen komen, dan vormt dit een van de belangrijkste belemmeringen op de weg naar integratie. Dit artikel is een bewerking van een voordracht, gehouden op 24 april op een themadag van VVD-jongeren.

Foto: Turkse jongens krijgen koran-onderwijs in een moskee in Rotterdam. (Foto NRC Handelsblad/ Chris de Jongh)