Met "noodbegroting' van zes ton zijn grote tentoonstellingen onmogelijk; Teleurstelling over subsidie Foto Instituut

ROTTERDAM, 30 APRIL. “Een belachelijk bedrag. Met zo'n budget kun je nauwelijks iets beginnen.” Directeur Jack Verduyn Lunel van de Federatie van kunstenaarsverenigingen is niet als enige teleurgesteld in de zes ton die de minister van WVC als jaarlijkse subsidie voldoende acht voor het in Rotterdam op te richten Nederlands Instituut voor de Fotografie (NFI).

Ook Flip Bool, directeur van het Nederlands Foto Archief in Rotterdam, waarmee het nieuwe instituut nauw gelieerd wordt, vraagt zich af of het “überhaupt nog wel zin heeft om het NFI op te richten. Afgezien van het lachwekkende budget, geeft de minister geen enkel vooruitzicht op groei. Eigenlijk blijkt nu opnieuw dat de fotografie niet serieus wordt genomen.”

Als het aan Luuk Kramer ligt, de voorzitter van de GKf-Beroepsvereniging voor fotografen, kan de zaak maar beter worden afgeblazen. “Met zo'n noodbegroting kan je alleen iets administratiefs op poten zetten. Verder niets. Als je iets wil doen, doe het dan goed, maak er iets interessants van”.

De NFI-paragraaf in de maandag gepresenteerde cultuur-nota van WVC komt exact overeen met het recent uitgebrachte advies van de Raad voor de Kunst. De Raad stelde een subsidie van ƒ 685.000,-- voor, waarvan ƒ 125.000,- gereserveerd dient te worden voor de Foto Biennale Rotterdam. Aan de hand van eerdere beramingen wordt een budget van 2,8 miljoen noodzakelijk geacht, exclusief de kosten voor de Foto Biennale.

De Raad denkt daar anders over. “Het is de bedoeling dat het Instituut klein begint om samen met het Nederlands Foto Archief iets van de grond te krijgen. Er is nu eenmaal weinig geld beschikbaar,” aldus Lysbeth van Egmond, secretaris van de sector beeldende kunst, bouwkunst en vormgeving. Een vergelijking met het nieuwe Vormgevingsinstituut, dat drie miljoen gulden krijgt, vindt ze niet terecht. “De fotografie is een onderdeel van de beeldende kunst, maar bij het Vormgevingsinstituut zijn veel meer disciplines betrokken.”

Sinds het begin van de jaren zeventig, toen de (kunst)historische waarde van de fotografie werd ingezien en de eigentijdse fotografie in brede kring artistieke erkenning kreeg, wordt al gesproken over een nationaal instituut voor de fotografie. Oud-minister Brinkman nam uiteindelijk in 1986 de impopulaire beslissing om in het kader van spreiding van culturele voorzieningen, Amsterdam en Haarlem te passeren. Rotterdam werd niet alleen met een Architectuur Instituut bedeeld, maar ook met een foto-archief en "een eventueel later te creeëren foto-instituut met een bredere taakstelling'.

De Stichting Nederlands Foto-archief, onder de directie van Flip Bool en vanaf november 1989 in Rotterdam actief met het verwerven, beheren en conserveren van Nederlandse foto-archieven, waakt inmiddels over zo'n twee miljoen negatieven. Het aantal archieven is inmiddels bijna verdubbeld. Ruimte en geld voor tentoonstellingen binnenshuis ontbreken, maar dankzij recente extra subsidies kan het Archief een foto-restauratie-atelier inrichten en meer geld investeren in het ontsluiten van collecties.

Begin dit jaar zou het Archief gezelschap krijgen van het Instituut, aldus een WVC-nota uit 1991. Die streefdatum is inmiddels verschoven naar volgend jaar zomer. In hetzelfde gebouw als het internationale beeldende kunst-"podium' Witte de With, vlakbij Museum Boymans-van Beuningen en bij de nieuwe KunstHAL, moeten dan beide fotografische instellingen onderdak hebben gevonden. De gemeente Rotterdam acht het, volgens een woordvoerder, hoog tijd dat “het instituut nu met die zes ton eindelijk van de grond komt. Er is al veel te lang getwijfeld over die WVC-subsidie.”

De kerntaken van het NFI, zoals geformuleerd door de Raad in 1989, zijn "coördinatie van door anderen ondernomen collectievorming, ontsluiting van verzamelingen, de inrichting van een bibliotheek en documentatiecentrum, studie en onderzoek, het publiceren van tijdschriften en catalogi, en het in het buitenland presenteren van Nederlandse fotografie'. Gezien het recente advies van de Raad wordt vooral aan die laatste taak veel waarde gehecht. Want "internationalisering' scoort hoog in de cultuurnota. Maar bovenal moet het Instituut "een podium van de fotografie' worden en het krijgt "bij uitstek tot taak' om exposities te organiseren, aldus de Raad.

“Onbegrijpelijk hoe WVC denkt dat het instituut deze taken met dit budget kan vervullen,” zegt Bas Vroege, directeur van de Stichting Perspektief in Rotterdam. “Het maken van tentoonstellingen met een omvang die in het internationale circuit gebruikelijk is, is hiermee uitgesloten, laat staan het maken presentaties in het buitenland. Tentoonstellingen en catalogi zijn nu eenmaal de duurste exponenten.”

Deze stichting buigt zich eigenlijk al twaalf jaar over dezelfde kerntaken van het toekomstige NFI. Perspektief maakt tentoonstellingen, onderhoudt contacten met buitenlandse fotografie-podia, geeft elk kwartaal in een oplage van drieduizend een tweetalig foto-tijdschrift uit, en organiseert workshops en de Fotografie Biennale Rotterdam, die een groeiend aantal bezoekers trekt.

Het ligt in de bedoeling om Perspektief, dat nu bijna dezelfde subsidie ontvangt als straks het instituut en dat al jaren om meer steun vraagt, te laten opgaan in het NFI. Vroege vindt dat hij ten onrechte op WVC vertrouwd heeft. Op deze basis kan volgens hem geen instituut opgericht worden: “Het NFI wordt een rompje, zonder armen en benen.”

Bij WVC wordt nog steeds aan de plannen voor het instituut gewerkt, zegt beleidsmedewerker P. Terwiel. Een adviesbureau buigt zich in opdracht van WVC al een jaar over feitelijke oprichting en budget. De bevindingen zullen over enkele maanden worden gepresenteerd. Toch acht WVC in dit stadium een subsidie van zes ton voldoende. “Het instituut moet zich eerst bewijzen,'- zegt hij. “Het is nog maar de vraag of het landelijke allure moet krijgen.” En de musea mogen in hun fototentoonstellingsbeleid niet worden ontmoedigd, aldus Terwiel.