"Levensechtheid' van fruitschaal en boeket kon ontaarden in doodse perfectie; Een bloemstilleven als een jungle in een kelkvaas

Tentoonstelling: Het Mauritshuis in bloei. Boeketten uit de Gouden Eeuw. Korte Vijverberg 8, Den Haag, t/m 19 juli. Catalogus ƒ 25, gebonden ƒ 39,50.

Er bestaat denk ik geen genre van schilderijen, waar zoveel over is gespeculeerd en geschreven als het zestiende- en zeventiende-eeuwse bloemstilleven. De symboliek van de "geschilderde ruiker' weegt zwaar, zelfs als je de betekenis van iedere bloem afzonderlijk buiten beschouwing laat.

Bloemstillevens drukken vergankelijkheid uit (bloemen verwelken), onvergankelijkheid, (de ritmische cyclus van de seizoenen, soms tot uitdrukking gebracht in een boeket met vier soorten), ijdelheid (door de afbeelding van kostbare soorten als de passiebloem of de tulp) en vruchtbaarheid.

Naturalistische weergaves van een bloem of boeket - aan het eind van de vijftiende eeuw geïntroduceerd door Dürer en Da Vinci - kunnen bedoeld zijn als een eerbetoon aan God (als schepper van de natuur). Maar ze zijn ook de uitdrukking van botanische kennis en empirische wetenschap.

Zoveel verschillende interpretaties maken wantrouwig. Moet er soms een gemis aan spanning in het genre verdoezeld worden? “A rose is a rose is a rose,” zei Gertrude Stein al. En inderdaad: een zekere sloomheid kan het bloemstilleven niet ontzegd worden.

Geschilderde boeketten zijn decoratief voor aan de muur. Dat vonden de zeventiende-eeuwers ook. Het bloemstuk lichtte een donkere plaats in huis op en ging bovendien langer mee dan een echt boeket. Maar evenaarden de afgebeelde bloemen de schoonheid van hun bloeiende en vooral geurende soortgenoten in de natuur? En hoe interessant is het stilleven voor een twintigste-eeuwse bezoeker die de metaforische betekenissen niet zo snel doorgrondt als zijn voorouders?

Dat is te beoordelen op een tentoonstelling in het Mauritshuis in Den Haag. Ter gelegenheid van de Floriade is op de eerste verdieping van het museum een selectie te zien van dertig hoogtepunten van Hollandse en Vlaamse bloemstillevens uit de Gouden Eeuw. De expositie beslaat de periode tussen 1600 en 1820.

Chronologisch gerangschikt hangen in drie zalen de bijna abstracte doeken van Jan Brueghel de Oude (de "fluwelen Brueghel'), Roelant Savery en Jacob de Gheyn; de meer barokke en "wulpse' doeken van Jan Davidsz de Heem en Abraham van Beyeren, en ten slotte de gelijkmatige en minutieus naar het leven geschilderde boeketten van Rachel Ruysch en Jan van Huysum.

Wie niet de tijd neemt om de schilderijen als een zoekplaatje af te spieden, verlaat het Mauritshuis teleurgesteld. Als ik de eerste keer snel de zalen doorloop, blijft alleen een donkergroene impressie van bladeren en stengels en een kakafonie van kleuren in mijn geheugen achter. Maar bij een tweede, secuurdere rondgang klaart de mist op, althans bij sommige doeken. Papegaaientulpen, windes, keizerslelies, anjers, papavers en pioenrozen, het donkere glas van de vazen en het decor van de stillevens verraden hun geheimen alleen bij betere bestudering. Het zijn de details die de boeketten - hoe levensecht van kleur en vorm zij ook zijn - tot leven wekken en interessant maken.

Roelant Savery (1576-1639) is een van de schilders die daarin slaagt. Zijn 'Vaas met bloemen' (1612) is afgebeeld in een donkere nis: slechts een paar bloemen vangen licht, de rest verdwijnt tegen een in kracht toenemende duisternis. Niet alleen wordt hierdoor je aandacht gevangen en je blik verder de diepte ingetrokken, het doek wordt er ook ruimtelijker en mysterieuzer van. Wild uitschietende sprieten, kronkelige doornentakken en diepgroene, -blauwe en -paarsige bladeren zijn vaag in de diepte te onderscheiden: Savery schilderde een jungle in een kelkvaas. En zoals het hoort in een jungle, zijn daar ook dieren bij.

Van Savery is bekend dat hij op sommige van zijn bloemstukken wel meer dan zeventig verschillende soorten insekten en andere kleine diertjes schilderde. Muizen, kikkers, hagedissen, vogels, vlinders, vliegen, rupsen en bijen zitten tussen de bladeren verborgen, scharrelen daar bijna stiekem hun kostje bij elkaar, of zitten open en bloot in beeld. Op het tentoongestelde bloemstuk uit 1612 - geschilderd in het jaar dat Savery's beschermheer Rudolf II overleed - moeten wij ons wat fauna betreft "behelpen'. Savery beeldde een groenglanzende sprinkhaan en profile af, een lodderig starende salamander en een aantal in kleur contrasterende of juist gecamoufleerde insekten af.

Ook schilderde hij een muis. Met de ene poot iets geheven om een blok kaas te omvatten, blikt het de toeschouwer recht aan. Ik kijk pal in de matglanzende en poezelig zachte gehoorgang van het diertje. De vlezige staart ligt gekruld om hem heen heen; elk segmentje is duidelijk zichtbaar. Vergeleken met Savery's "aristocratische' muis, zijn de muizen die Jacques de Gheyn - bijgenaamd "de Meester van de Penne' - tekende, woelratten met verfomfaaide, dikke en "onmuizige' koppen. De Gheyns "Vier maal een muisje' in het Amsterdamse Rijksmuseum doet onder voor Savery' muis.

Bekijk ik na Savery's nauwgezette, donkere en tegelijkertijd bijna mystieke stilleven het "Boeket en Stilleven' van Jan Davidsz de Heem (1606-¢41684), dan lijkt het alsof mijn ogen moeten wennen aan het licht. In dit bloemstuk met weelderige druiventrossen, overrijpe perziken, bramen, kersen, een sinaasappel, opengesneden oesters en natuurlijk met een boeket bloemen dat veel te groot is voor de vaas, is elk detail kristalhelder geschilderd.

Van het obscure hof van Rudolf II ben ik in een klap beland in de doorzichtige werkelijkheid van de Hollanders: terug bij Van Hoogstraeten, Saenredam en De Hoogh. De Heem laat ieder met een aandachtig oog waarnemen. De hemelsblauwe beschildering op de porseleinen fruitschaal, de weerspiegeling van de wolkenlucht buiten in het glas van de vaas, het achteloos gedrapeerde fruit nog nat van de dauw: het zijn visuele grapjes waarmee De Heem wil aangeven dat "buiten' "binnen' is geworden en nooit meer "buiten' kan zijn.

Geen van de andere schilders op de tentoonstelling evenaart De Heems helderheid. Willem van Aelst (1625-1683) is, ondanks het feit dat hij de regels voor de compositie van bloemstillevens halverwege de zeventiende eeuw versoepelde (hij introduceerde de diagonale opbouw), geen kunstenaar die opwindende bloemstukken schildert. Zijn bloemstukken blijven aan de oppervlakte, al zijn ze virtuoos geschilderd.

Het bloemstilleven was een populair genre in de Gouden Eeuw, en de prijzen die ervoor betaald werden waren navenant. Jan Brueghel de Oude maakte een schilderij met bloemen waar hij evenveel geld voor ontving als de waarde van het diamanten sieraad dat hij slinks naast de vaas had afgebeeld. En ook de Vlaamse jezuïetenbroeder Daniël Seghers (1590-1661) kon zich een vermogend man noemen. Van Willem II ontving hij als beloning voor een bloemstilleven een gouden palet en gouden penselen; Amalia van Solms voegde daar in 1652 een gouden schilderstok aan toe. Het winstgevend karakter van het genre werkte onvermijdelijk inflatie in de hand.

De zeventiende-eeuwer vergaapte zich aan technische briljantie en virtuoze trompe l'oeil-effecten. Het zachtglimmende spoor dat een slak op een bloemblad achterlaat, het vermiljoen van een roos, de stofuitdrukking van meeldraden en stampers, de harige huid van een perzik: het moest allemaal levensecht lijken. Het waren deze elementen waar veel kunstenaars zich in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw fanatiek op toelegden. Maar het resultaat was een "levensechte' kunst waar de brille aan ontbrak. Vondel kon dan wel schrijven dat zelfs de bijen zich door de zeventiende-eeuwse bloemstillevens om de tuin lieten leiden, maar de natuur zelf werd door slechts een enkeling geëvenaard.