LEOPOLDS KONINKLIJKE SERRES IN LAEKEN; De jungle achter glas

Koninklijke Serres in Laeken. Koninklijke Parklaan, Laeken (Brussel). Nog t/m 10 mei, 9u30-16u. Ma gesloten. Vr, za en zo ook van 21u tot 23u geopend.

Gewoonlijk zijn de Koninklijke Serres in de Brusselse voorstad Laeken door een muur langs de Koninklijke Parklaan vrijwel aan het oog onttrokken. Maar één keer per jaar, in de lente, opent de koning van België de poorten van zijn glaspaleis voor het publiek. De belangstelling is altijd groot: vooral op zaterdag en zondag vormen zich lange rijen wachtenden. Men moet zich daardoor niet laten afschrikken. Het wachten duurt korter dan de lengte van de rij doet vermoeden en de beloning is groot.

Het zijn niet zozeer de tentoongestelde planten die een bezoek aan de Koninklijke Serres de moeite waard maken. Natuurlijk, de talloze fuchsia's, camelia's, geraniums en abutilons met bloemen in de Belgische driekleur zijn fleurig, maar toch niet echt interessant. Veel spectaculairder zijn de 36 kassen zelf. Ze zijn in elk opzicht groots. Ze beslaan een terrein van 600 bij 200 meter en behoren niet alleen tot de mooiste glas- en ijzerconstructies ter wereld, maar zijn bovendien met elkaar verbonden door glazen passages, zodat men een wandeling van bijna een kilometer kan maken zonder buiten te komen.

Zonder het Belgische kolonialisme had het glaspaleis niet bestaan. Rijk geworden door zijn privé-kolonie Kongo, gaf koning Leopold II in 1865 de opdracht tot de bouw van het kassencomplex. Er kwam al spoedig veel kritiek op het geldverslindende project, maar de koning zette door en bouwde zijn miniatuur Kongo in het Koninklijk Park. Hij bemoeide zich persoonlijk met het ontwerp ervan, maar de meeste kassen zijn toch het werk van de toenmalige Belgische staatsarchitect Alphonse Balat (1818-1905), de leermeester van de Art Nouveau-architect Victor Horta. De "serres' variëren van het zakelijke palmenhuis uit 1885 tot het Kongo-paviljoen, die met zijn vijf torens doet denken aan een Byzantijnse kerk. De apotheose van het labyrint is de Wintertuin, die men als laatste bereikt na een lange tocht door met glas bedekte onderaardse gangen, witte trappen en paviljoentjes met beelden van Diana en Narcissus.

In de Wintertuin regeert de jungle. Palmen en boomgrote varens schieten omhoog, maar toch maakt de kas geen overvolle indruk. Dat is niet zo vreemd, want Balats Wintertuin heeft een diameter van 60 meter en een hoogte van 30 meter. Nog meer dan de omvang maakt de constructie van het glaspaleis indruk. De koepel rust op 36 robuuste zandstenen zuilen van de Toscaanse orde, die prachtig contrasteren met de frêle glasarchitectuur. De onderste glazen ring hangt aan 36 ijzeren ribben, die aan de binnenkant niet zichtbaar zijn. Alleen in de passage van de Wintertuin naar het Kongo-paviljoen dringt een ijzeren rib binnen in het interieur. Waar de rijk geornamenteerde rib eindigt, schiet een halve zuil in het niets omhoog, alsof Balat wil zeggen dat de ingenieurskunst de klassieke bouwkunst niet overbodig maakt.

Wel zichtbaar vanuit de Wintertuin zijn de schoorstenen van het verwarmingsgebouw. Ze zijn vermomd als minaretten, want niets mocht Leopolds Kongo-droom verstoren. In 1909 stierf de Belgische koning in zijn glaspaleis, een jaar nadat de echte Kongo hem door de Belgische staat was ontnomen.