Kenia "op rand van burgeroorlog'; Tribale conflicten worden volgens alle partijen aangewakkerd en misbruikt door politieke leiders

NAIROBI, 30 APRIL. Een jonge Keniase vrouw wilde afgelopen zondag van Nairobi naar haar woongebied van de Kalenjin-stam reizen, ruim 200 km ten noordwesten van de hoofdstad. Op het busstation herkenden enkele passagiers haar als een Kalenjin. Ze sloegen haar tegen de grond en begonnen haar te schoppen, onder het roepen van “Dood haar, dood haar!”.

De vrouw overleefde het: een politieman redde haar leven. Maar het incident was tekenend. “Kenia bevindt zich op de rand van een burgeroorlog”, verkondigde in het weekeinde de voormalige vice-president (en nu oppositieleider) Mwai Kibaki. Oginga Odinga, leider van de grootste oppositiepartij FORD, vroeg gisteren om een interventie door een vredesmacht van de VN. In een ongebruikelijk harde verklaring riepen leiders van verscheidene kerkgenootschappen vorige week de regering op af te treden. De kerkleiders werken aan plannen voor een nationale conventie over de etnische conflicten “omdat de regering de gevechten niet wil of kan stoppen”. Volgens de kerken wakkeren hoge politieke leiders etnische gevechten aan. De regering op haar beurt beschuldigt de kerken en de oppositie ervan achter de gevechten te zitten.

Nog nooit eerder sinds de onafhankelijkheid in 1963 liepen de tribale spanningen in Kenia zo hoog op. In delen van de centrale provincie Rift Valley en in West-Kenia raken vrijwel dagelijks stammen onderling slaags. Honderden hectaren met gewassen en huizen gingen in vlammen op, duizenden boeren raakten ontheemd en meer tweehonderd mensen verloren het leven.

De gevechten begonnen eind vorig jaar en breiden zich nog uit. Sinds vorige week woedt er een mini-oorlog rond de Westkeniase stad El Molo, eerder deze maand braken er gevechten uit tussen twee stammen aan de Oegandese grens en ook in het zuidwesten bij de Tanzaniaanse grens laaiden gevechten op.

De oorzaken blijven een mysterie. De brandhaarden liggen soms honderden kilometers van elkaar verwijderd. Over één ding zijn alle partijen het eens: het zijn politici die de tribale tegenstellingen aanwakkeren. Bij vrijwel alle gevechten blijken de aanvallers leden van de tribale groep de Kalenjin. President Daniel arap Moi behoort tot een sub-stam van de Kalenjin evenals bijvoorbeeld Nicholas Biwott. Deze ex-minister en vertrouweling van Moi werd onlangs in het parlement beschuldigd er een prive-legertje op na te houden.

Hoewel het proces van natievorming in Kenia verder is gevorderd dan in menig andere Afrikaanse staat, spelen tribale sentimenten nog altijd een hoofdrol. In de politiek blijken regelmatig niet zozeer concrete thema's als wel de onderscheiden tribale afkomst de scheidslijnen te vormen. Na de introductie van het meerpartijensysteem gingen politici meer dan ooit appeleren aan tribale sentimenten. Prominente leiders van de grote tribale groepen, de Kikuyu, de Luo en de Luhya, sloten zich aan bij de oppositiepartijen. Kalenjin-politici vrezen bij meerpartijen-verkiezingen hun invloedrijke posities die ze dankzij president Moi kregen, te verliezen aan de grotere stammen. In opruiende redes riepen Kalenjin-politici hun angstige stamleden op trouw te blijven aan de regeringspartij KANU en hun woongebied te verdedigen tegen indringers van andere stammen - met andere woorden: de oppostie.

Door het gebrek aan goede landbouwgrond hebben sinds de onafhankelijkheid leden van de grootste stammen zich verspreid over alle delen van het land. In gebieden waar nu wordt gevochten leefden deze “immigranten” tientallen jaren vreedzaam met andere stammen samen; ze begonnen zelfs de plaatselijke talen te spreken. Volgens talrijke getuigenissen van plaatselijke bewoners komen de aanvallers van “buiten” en krijgen ze actieve of stilzwijgende steun van de politie.

Bisschop Ndingi zei vorige week tijdens een persconferentie: “De bij de gevechten betrokken aanvallers zijn gemakkelijk te herkennen aan hun kleding. Waarom is het zo moeilijk hen op te sporen en te arresteren?” Hij ziet de hand van de regering achter de gevechten. “Alle bewijzen schijnen aan te geven dat de bron te vinden is in de hoge regionen van de regering. De campagne is een wanhopige poging om de wind van veranderingen voor een pluriforme democratie te stoppen. Het is een belediging voor de Kenianen om de insinueren dat de oppositiepartijen de gevechten aanwakkeren”.

In het grensgebied bij Oeganda raakten de Bukusu onlangs slaags met de Sabaot, een substam van de Kalenjin. Gewapende Bukusu stopten een bus. Toen een teenager niet onmiddellijk in de Bukusu-taal de gewapende mannen kon antwoorden, werd hij met bijlen vermoord. Elders werd een zwangere Sabaot-vrouw levend in brand gestoken; een man die haar te hulp kwam werd neergeschoten met een machinegeweer.

Ouderlingen van de Bukusu vertellen dat na de afkondiging van het meerpartijenstelsel in december leiders van Sabaot de krijgers begonnen op te ruien tegen de Bukusu. Volgens de Bukusu willen de Sabaots het gebied “reinigen” van alle niet-Kalenjin opdat bij de verkiezingen alle stemmen naar de regeringspartij KANU zullen gaan.

De tribale waanzin dreigt iedere redelijkheid te verdringen in Kenia. In Nairobi, een bolwerk van de oppositie, circuleren pamfletten waarin wordt opgeroepen alle Kalenjin uit de hoofdstad te verdrijven. President Moi en andere politieke leiders roepen op tot verdraagzaamheid en rust. Maar steeds weer vallen er slachtoffers bij nieuwe etnische conflicten. Moi heeft zich altijd verzet tegen de binnen- en buitenlandse druk om het meerpartijen stelsel in te voeren omdat het land tribaal nog te verdeeld zou zijn.

Kenia beleeft aldus een uiterst gevaarlijke ontwikkeling, zo menen alle waarnemers. Tribale tegenstellingen aanwakkeren blijkt veel makkelijker dan stammen weer te verzoenen. Bovendien maken de etnische conflicten de overgang naar een pluriforme democratie welhaast onmogelijk.