Japan kan in eigen huis ongestoord klucht opvoeren

Nergens in de wereld wordt nog, op het slagveld na dan, de nasleep van de Golfoorlog zo sterk beleefd als in Japan. De oorlog bracht een aardschok teweeg die nog natrilt in het politieke debat. Voor het eerst in haar eigen naoorlogse geschiedenis begon 's werelds tweede economische macht te beseffen welke positie zij inneemt in de internationale gemeenschap. Voor het eerst ook was er een begin van bereidheid om verantwoordelijkheid te aanvaarden voor de rol die Japan verwacht wordt te spelen. Een begin, want wat erop volgde had met wereldpolitiek al snel niets meer te maken en des te meer met een klucht, met het parlement als toneel en met de parlementariërs als spelers in een rol die hen beter afgaat als de wereld niet toekijkt en ze als ouwe jongens onder elkaar zijn.

Het begon met een wet die het Japan mogelijk maakte eenheden van zijn Zelfverdedigingsmacht, zoals het leger volgens de Japanse pacifistische grondwet moet heten, naar het buitenland te sturen om deel te nemen aan vredesoperaties van de Verenigde Naties. De wet was Japans antwoord op de internationale kritiek dat het zo traag had gereageerd op de Golfcrisis terwijl het, als groot-importeur van Arabische olie, zelf alle belang zou hebben bij stabiliteit in het Midden-Oosten. De 25 miljard gulden die Japan later alsnog overmaakte aan de geallieerden, Amerika voorop, was in de wereld smalend afgedaan als "chequeboek-diplomatie', een lelijk woord voor “te weinig, te laat”.

Onder Japans gematigde politieke partijen - de regerende Liberaal Democratische Partij, de door de Boeddhistische beweging gesteunde Komeito en de Democratisch Socialistische Partij - was door al deze kritiek de overtuiging gegroeid dat "pacifisme in één land' niet langer aanvaardbaar was voor de internationale gemeenschap. Maar de wet riep heftig verzet op bij de orthodoxe oppositie - de Sociaal Democratische Partij, Japans grootste oppositiepartij, die ondanks haar speciaal voor het buitenland aangenomen naam nog onversneden socialisme à la het voormalige Oostblok predikt, en de communisten - en sneuvelde ten slotte in de op consensus gebaseerde parlementaire cultuur. Een nieuwe wet, de PKO-wet (de wet op de vredesoperaties) werd daarop geboren, een compromis tussen de drie gematigde partijen.

Het politieke debat onder de gematigden ging vervolgens niet meer over het sturen van eenheden van het zelfsverdedigingsleger, maar over eenheden die bij een andere, nieuw op te richten organisatie zouden worden ondergebracht en vervolgens wel weer over eenheden van de zelfverdedigingsmacht die echter gescheiden daarvan moesten opereren, ja desnoods in concurrentie daarmee. Intussen stuurden zesendertig landen een kleine tweeduizend waarnemers onder VN-vlag naar Koeweit en Irak, tienduizend soldaten naar het door burgeroorlog geteisterde Joegoslavië en tienduizend soldaten naar Cambodja, zelfs Chinese uit de Volksrepubliek.

De PKO-wet beperkt het aantal overzee te sturen Japanse manschappen tot tweeduizend. In een vermakelijk artikel in de The Japan Times rekent commentator Takio Yamazaki voor dat het sturen van 42 artsen en 247 verpleegsters, aantallen die in Japan circuleerden tijdens de Golfoorlog, ten minste 1500 man extra vergt voor logistieke ondersteuning en dat voor het sturen van een bescheiden observatieteam van een paar honderd man vele duizenden manschappen extra nodig zijn.

Het parlementaire debat spitste zich toe op de levensgrote vraag of Japanse soldaten straks wellicht wapens moesten gebruiken. Als om de vredelievende taak van Japan te onderstrepen, verklaarde de regering dat de zelfverdedigingsmacht alleen naar plaatsen mocht worden gestuurd die vredig zijn en veilig. Onder VN-vlag zullen, als het echt gevaarlijk wordt, straks alleen Japanse troepen het hazepad kiezen, stelde Yamazaki vast.

Nadat de wet was aangenomen in het Lagerhuis zijn deze week, na een pauze, in het Hogerhuis de beraadslagingen over de PKO-wet hervat waar, in tegenstelling tot in het Lagerhuis, de oppositie de meerderheid heeft. De Democratisch Socialistische Partij, die vóór de wet is, eist inmiddels tegen de zin van de LDP dat voor elke missie apart toestemming wordt gevraagd aan het parlement. De Komeito, geërgerd door het optreden van de LDP die de wet er doorjoeg in het Lagerhuis, is van mening veranderd en is nu tegen het zenden van troepen. De Sociaal Democratische Partij wil een organisatie los van de zelfverdedigingsmacht en alleen voor gebieden waar vrede heerst. En de machtige LDP dreigt, als ze haar zin niet krijgt, iedereen met ontbinding van het Lagerhuis wanneer er in juli verkiezingen zijn voor het Hogerhuis. En verkiezingen voor beide huizen zouden de financieel armlastige oppositie al op voorhand op achterstand zetten.

De vormende kracht in de Japanse politiek, als het om grote gevoelige kwesties gaat, is altijd de druk geweest van Amerika. Japans leiders en bureaucraten hebben deze druk, of gaiatsu, altijd ongegeneerd aanvaard als excuus voor gebrek aan eigen politiek initiatief. Maar onder de Japanse bevolking slijt het excuus. Amerika steeds opvoeren als eiser irriteert bovendien. Het middel werkt contraproduktief. In Japan groeit het verzet tegen door Japans politici zelf aangewakkerd Amerikaanse paternalisme.

Amerika heeft het in dit verkiezingsjaar te druk met zichzelf. Europa heeft voor Japan nooit de belangstelling kunnen opbrengen die een economische grootmacht politiek zou mogen opeisen. En dus kijkt er in de wereld niemand toe en kan Japan zijn klucht in eigen huis voorlopig ongestoord blijven opvoeren. Totdat er in de wereld een nieuwe internationale crisis uitbreekt.