"Hysterische mediacampagne tegen het Servische volk'; Servië ziet zich als slachtoffer van samenzwering; Isolement van Serviëzou leiding in de kaart spelen

BELGRADO, 30 APRIL. Voor de Servische staatstelevisie was het aanhouden van de beslissing op de CVSE-bijeenkomst in Helsinki al een klein beetje een overwinning. De Europese Veiligheidsconferentie, die eerder had gedreigd Servië wegens zijn betrokkenheid bij de oorlog in Bosnië-Herzegovina uit haar gelederen te stoten, laat de beslissing over toelating van het nieuwe Joegoslavië nu over aan de twaalf landen van de Europese Gemeenschap, meldde het Servische televisiejournaal met ingehouden opgetogenheid. Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland maken zich al op voor erkenning van het nieuwe Joegoslavië, meldde datzelfde journaal, trouwe spreekbuis van de Servische persident Slobodan Milosevic, vervolgens.

Ook de voornaamste regeringsgetrouwe krant in Servië, Politika, meldt vanmorgen opgetogen dat “de diskwalificatie van Joegoslavië niet is gelukt”. Het kan niet gezegd worden dat de Servische overheid de bevolking overvoert met beschouwingen en berichten over de dreigende boycots en blokkades tegen Servië. En voor zover de buitenlandse houding al onderwerp van gesprek is, wordt de Westerse reactie op de oprichting van een nieuw Joegoslavië meestal gelijk gesteld met die op de Servische betrokkenheid in Bosnië-Herzegovina.

Het nieuwe Joegoslavië, zo is sinds een aantal weken immers de doctrine van president Milosevic en diens partij, de socialistische SDS, heeft immers met de strijd in het buurland Bosnië-Herzegovina niets te maken. De oorlog daar is misschien een strijd van de Serviërs daar, maar daarmee nog niet van de republiek Servië.

Achter de schermen, menen waarnemers in Belgrado, maakt de Servische regering zich wel degelijk zorgen over de mogelijkheid van internationale isolatie en economische sancties tegen Servië. De haast waarmee het nieuwe Joegoslavië begin deze week is uitgeroepen, heeft met deze zorgen vermoedelijk alles te maken.

Een effectieve economische boycot van Servië, waarop met name de Verenigde Staten hebben gezinspeeld, zou Servië vermoedelijk zwaar treffen, omdat de republiek zestig procent van zijn benodigdheden in moet voeren en ongeveer een zelfde percentage ook weer uitvoert. De verbintenis met Montenegro, binnen het nieuwe Joegoslavië, zou in zo'n geval van grote betekenis kunnen zijn, aangezien de Montenegrijnse politieke leiding zich de afgelopen maanden inzake de Joegoslavische oorlog aanzienlijk gematigder heeft opgesteld dan de Servische en dus nauwelijks het voorwerp van een internationale boycot kan zijn.

Naar buiten toe houdt de Servische regering vol dat de bezwaren tegen haar beleid in Bosnië-Herzegovina, maar bijvoorbeeld ook bij de onderdrukking van de nationale rechten van de Albanezen in de Servische provincie Kosovo, het gevolg zijn van “een hysterische mediacampagne tegen het Servische volk in de Westerse pers”. Dat verwijt, gisteren op de staatstelevisie uitvoerig herhaald door vice-voorzitter van het parlement Vikasin Jokanovic, speelt in op een oude traditie van koppigheid en messianisme onder Serviërs. Velen onder hen zijn ongetwijfeld oprecht van mening, dat het Servische gelijk omringd is door een samenzwering van verdorven machtigen. Jokanovic bijvoorbeeld stelde eenvoudig dat de problemen voortkwamen uit het feit dat de Servische nationale belangen niet stroken met de plannen van de Verenigde Staten op de Balkan.

De buitenlandse bezwaren tegen de Servische politiek vinden zeker ondersteuning bij een groot deel van de intelligentsia in Servië, die zeer goed weet wat er in het Westen omgaat, en bij het grootste deel van de jeugd - voor zover die zich niet als vrijwilliger heeft gemeld voor de vrijheidsstrijd van Serviërs in Kroatië en Bosnië-Herzegovina. Op een grote demonstratie annex popconcert eerder deze maand in Belgrado heeft die jeugd haar gedachten vertolkt: nationale verdraagzaamheid en culturele moderniteit, inplaats van de cultus van het Servische volk en zijn verleden. De intelligentsia heeft de neiging de hele ontwikkeling van Joegoslavië in het laatste jaar als een overwinning van “primitivisme” te zien.

Maar intelligentsia noch jeugd is aan de macht in Servië - misschien nog wel minder dan in andere Oosteuropese landen - en de sterk verdeelde oppositie voelt zich niet in staat tegen de cultus van het nationaal gevoel in te gaan. De macht ligt nog steeds bij de Servische communistische kaders van weleer, die zich inmiddels socialisten noemen. Het nationalisme hebben zij de afgelopen jaren met succes gehanteerd als een middel ter consolidatie van hun positie. En, zo vrezen veel Servische intellectuelen, een internationaal isolement van Servië zou het gevoel bij velen dat het nodig is de rijen te sluiten om de huidige leiders, wel eens aanzienlijk kunnen versterken.