Hulp aan Oost-Europa

EEN BUNGELENDE minister is een gemakkelijke prooi voor tegenstanders.

Na de affaire-Indonesië lag het dan ook voor de hand dat minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking) op de korrel zou worden genomen door collega's die het op zijn politieke reputatie of op zijn budget hebben gemunt. Binnen een maand was het al raak. Deze week opende minister Van den Broek (buitenlandse zaken) de aanval op zijn departementale voordeurdeler door eens uit te rekenen hoeveel geld voor steun aan Oost-Europa zou vrijkomen als Nederland evenveel ontwikkelingshulp zou verstrekken als andere industrielanden gemiddeld doen. Hiermee ging Van den Broek veel verder dan een recent CDA-rapport dat onder leiding van oud-minister Van Dijk was opgesteld. Dit rapport bepleitte de automatische stijging van de begroting - door de koppeling aan de groei van de nationale economie - te bestemmen voor Oost-Europa. Het verschil tussen Van den Broek en Van Dijk is het verschil tussen 1,2 miljard en 500 miljoen gulden.

Pronk pareerde diplomatiek en zei dat hij staat te popelen om zijn begroting te gebruiken voor hulp aan de arme Centraalaziatische en Trans-Kaukasische republieken en voor de zuidelijke Balkanstaten. Alleen de CDA-fractie in de Tweede Kamer moet nog even instemmen met die beleidswijziging.

Ontwikkelingshulp is een zaak van emoties in Nederland. Hoezeer dit het geval is, blijkt uit een vergelijking met de Nederlandse bijdrage aan het stabilisatiefonds voor de roebel, dat deze week is goedgekeurd op een ministersvergadering van het Internationale Monetaire Fonds. Nederland stemde in met de overdracht van 300 miljoen dollar van zijn financiële reserves aan het IMF ten behoeve van het roebelfonds en geen haan die er naar kraaide. Weliswaar loopt Nederland geen financieel risico - dat loopt het IMF - maar de afwezigheid van enige politieke aandacht voor de toezegging van een groter bedrag dan Nederland tot nu toe voor hulp aan alle ex-communistische landen samen heeft uitgetrokken, is tekenend.

IN HET DEBAT over steun aan de oude en nieuwe ex-communistische republieken missen Van den Broek en Pronk beiden de kern waarom het gaat. Van den Broek verwart de op zichzelf legitieme vraag of Nederland in vergelijking met omringende landen een te omvangrijke begroting voor ontwikkelingshulp heeft, met de vraag waar het geld voor steun aan Oost-Europa vandaan moet komen. Nederland geeft ook veel meer uit aan huursubsidies of aan de WAO, maar geen politicus zal willen beweren dat de hulp aan Oost-Europa om die reden daaruit moet worden betaald. Pronk maakt de fout dat hij steun aan de ex-communistische landen uitsluitend ziet als uitbreiding van het werkterrein voor de traditionele ontwikkelingshulp, terwijl het in wezen om iets heel anders gaat. Los van de zorg om de extreme armoede in grote delen van het ex-Sovjet-blok, gaat het om de omschakeling van een samenleving, om de afbraak van een commando-economie en de (weder)opbouw van een markteconomie.

DIT VRAAGT OM een andere aanpak. Projecten en structurele hervormingen kunnen het best door de internationale organisaties worden uitgevoerd. Pronk gaf trouwens zelf terecht aan dat Nederland niet over eigen deskundigheid in deze gebieden beschikt. Economische Zaken en Financiën moeten zich bezig houden met handel, energie, investeringen en financiële kwesties (zoals het roebelfonds) en Ontwikkelingssamenwerking blijft verantwoordelijk voor noodhulp. Onvermijdelijk zal dit leiden tot een herschikking van begrotingsgeld, maar dan gaat het om heldere keuzes. Het levert ook een werkverdeling op die in volwassen betrekkingen met de traditionele ontwikkelingslanden kan worden gebruikt.