Hoogleraar: beleid heeft wel degelijk vruchten afgeworpen; "Stemmingmakerij verdringt wetenschap in minderhedendebat'

UTRECHT, 30 APRIL. “Praten over minderheden is bijna hetzelfde geworden als praten over misdaad.” Prof.dr. Frank Bovenkerk (48) heeft zich "mateloos geërgerd' aan de "kolder' van onder anderen VVD-fractieleider Bolkestein en CDA'er Mateman over de islam en "horden Afrikanen'. De opheffing per 1 juli van de Adviescommissie Onderzoek Minderheden (ACOM), die de regering sinds 1978 adviseert bij de programmering van wetenschappelijk onderzoek en waarvan Bovenkerk voorzitter is, past volgens hem in hetzelfde klimaat.

“Het debat over minderheden is overgenomen door politici en journalisten. De rol van de wetenschap lijkt uitgespeeld. Het taboe op minderheden is bespreekbaar en dat is winst, maar het slaat door naar stemmingmakerij die niet meer in verhouding staat tot de feiten”, zegt de cultureel antropoloog, sinds 1989 hoogleraar criminologie en inmiddels twintig jaar minderhedenonderzoeker. Bovenkerk heeft veel onderzoek verricht naar migratie van groepen buitenlanders alsook naar racisme en discriminatie van Nederlanders, sterk beïnvloed als hij is door (eigen) onderzoeken in de Verenigde Staten.

De "moral panic' over de criminaliteit van de Marokkaanse jeugd heeft hem mede geïnspireerd tot het schrijven van het boek Hedendaags kwaad, dat volgende maand verschijnt. Daarin adviseert Bovenkerk een krachtige aanpak van de ontsporing van Marokkaanse jongeren, van wie gemiddeld een op de drie onder de achttien jaar misdrijven pleegt. Het ministerie van justitie had hem om aanbevelingen gevraagd. Bovenkerk: “De Marokkaanse jongeren zijn duidelijk de meest problematische categorie allochtonen.”

Een belangrijke oorzaak is volgens hem dat ze behoren tot een gemeenschap die afkomstig is uit een “staatkundig slecht geïntegreerde” streek in het noorden en noordoosten van Marokko, een boerensamenleving waarin solidariteit zich beperkt tot de familie. Misstappen van jongeren lossen families veelal zelf op en schadevergoeding is daarbij een geëigend middel.

In Nederland raken de jongeren geïsoleerd door een sociaal-economische achterstand, "discriminatie' wegens lage verwachtingen over leer- en werkprestaties en het generatieconflict met hun vaders. “Ook Turkse jongens behoren tot een economisch gemarginaliseerde gemeenschap maar die is hechter georganiseerd, ontwikkelt een eigen bedrijfsleven en komt uit een staatsverband met een lange traditie. Daardoor komt de Turkse opvatting over de rol van de overheid meer overeen met de Nederlandse.”

Bovenkerk meent dat politie, justitie, hulpverlening en onderwijzend personeel Marokkaanse jongeren bij een eerste misstap zó vriendelijk behandelen, dat ze het probleem alleen maar erger maken: wanneer jongeren vertellen dat ze thuis geslagen zullen worden, lichten de instanties hun ouders meestal niet in.

Marokkaanse jongeren met een criminele loopbaan die hun leven willen beteren, nemen het de instellingen achteraf kwalijk dat zij niet meteen streng zijn opgetreden. Gemis aan duidelijke normen heeft hen tot nog ernstiger vergrijpen gebracht. De vaders op hun beurt voelen zich beroofd van hun gezag en houden de "falende' Nederlandse overheid verantwoordelijk voor de losbandigheid van hun zonen. In Marokko waren ze eraan gewend dat de overheid krachtdadig optreedt.

“Nederlandse hulpverleners zijn vreselijk in de weer om van Marokkaanse jongeren Hollanders te maken en hebben hun kaarten gezet op de tweede generatie. Daarmee ondermijnen ze het gezag van de ouderen en de Marokkaanse gemeenschap in zijn totaliteit. We moeten de Marokkaanse vaders weer iets te zeggen geven. De Marokkanen moeten zelf hun problemen oplossen. De Nederlanders moeten daarvoor de voorwaarden scheppen.”

Bovenkerk bepleit een "brede aanpak': evenredige deelname van Marokkanen aan werkgelegenheidsprojekten (die nu veelal ten goede komen aan Molukkers, Surinamers en Antillianen), verlaging van de leerplichtige leeftijd tot 4,5 jaar, ontwikkeling van Marokkaanse "kaders' door scholing van nieuw gearriveerde studenten, voorlichting over het Nederlandse normenstelsel, aanpak van schoolverzuim, opening van Marokkaanse clubhuizen en vaker bestraffing in de vorm van geldboetes en alternatieve sancties.

Hij wijst op de vroegere problemen met Molukse jongeren, waarin wijkraden succescol optraden. “Mijn plan is riskant, want de Nederlandse hulpverlening moet een stap terugdoen. Maar nu weten we zeker dat het fout gaat. Waarom zouden de Marokkanen het niet zelf kunnen? In hun gemeenschap is de familiestructuur nog intact.”

Bovenkerk ergert zich aan pleidooien voor gedwongen integratie. “Het is nu mode om te zeggen: de buitenlanders moeten Nederlands leren maar ze willen niet. Hoeveel staan er op de wachtlijst voor taalles, roep ik dan. Er zijn veel meer aanmeldingen dan de instellingen aankunnen.”

Volgens hem heeft teleurstelling zich van het publieke debat meester gemaakt. “Er is een moeilijk grijpbare sfeer ontstaan van mensen die het beu zijn. Zo van: alles wat de minderheden wilden, hebben ze gekregen. Van onderwijs in eigen taal en cultuur tot en met fietsrijlessen. En wat heeft het geholpen? In oude wijken zeggen veel oude PvdA-stemmers dat de Marokkanen alles krijgen, en zij niks.”

De gangmaker van deze cultuurverandering noemt Bovenkerk de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), die in 1989 met het rapport Allochtonenbeleid een trendbreuk veroorzaakte door op de plichten van minderheden te wijzen. De WRR vond dat het beleid had gefaald, de allochtonen teveel als "zorgcategorie' waren behandeld en stelde onder andere verplichte taalcursussen voor. Volgens Bovenkerk is het rapport sterk beïnvloed door topambtenaren van ministeries en heeft de WRR “als gezaghebbend instituut” hun conclusies opgeschreven. Betrokken ambtenaren hadden dat Bovenkerk ingefluisterd.

“De WRR heeft de wetenschap op een zijspoor gerangeerd. Waarom het minderhedenbeleid is mislukt, heeft de WRR niet verteld. Was er geen geld genoeg, was het niet goed besteed of deugden de uitgangspunten niet?” Volgens Bovenkerk is een dergelijk onderzoek nog steeds nodig.

Hij vindt dat het minderhedenbeleid zeker vruchten heeft afgeworpen: “De rechtspositie van etnische groepen is nergens in West-Europa zo sterk als hier. Ze mogen lang blijven, hun gezin laten overkomen en hebben kiesrecht. Voor minderheden is er nergens in West-Europa zoveel geld en menskracht tegen aangegooid als in Nederland.

“Er is geen land waar zoveel onderzoek en cijfers over minderheden inzake arbeidsmarkt, scholing, werkloosheid en woningmarkt zijn. Er zijn goede beschrijvingen van de groepen, we weten veel over hun achterstand en over discriminatie en vooroordelen. Dat beleid heeft ervoor gezorgd dat er niet zoveel onrust was in Nederland. De discussie was fatsoenlijk. In alle omringende landen wordt een beleid gevoerd op basis van incidenten en is niet of nauwelijks onderzoek beschikbaar. Men kijkt jaloers naar Nederland.”

De keerzijde is voor hem duidelijk: “De tragiek van ons beleid is dat we weliswaar winst hebben geboekt, maar elders verlies hebben gemaakt en met een enorme werkloosheid zitten.”

Zelf deed hij in 1986 voorstellen voor "positieve actie' op de arbeidsmarkt. Hij adviseerde werkgevers te verplichten migranten sneller te laten doorstromen naar hogere functies. Zij zouden een voorkeursbehandeling moeten krijgen, niet door de eisen aan functies te versoepelen maar door hen extra scholing te geven. Het plan kreeg onvoldoende politieke steun. “De WRR heeft een softere versie zonder verplichting voorgesteld, die ook al nauwelijks politiek haalbaar blijkt.”

Bovenkerk verheelt niet dat de wetenschap “teveel heeft onderzocht” en ook "moeheid' heeft veroorzaakt. Alleen al tussen 1984 en 1989 zijn 1694 wetenschappelijke publikaties verschenen, die op basis van een veertigurige werkweek een jaar leeswerk vergen. “De afgelopen tien jaar zijn gouden tijden geweest voor onderzoekers. Maar er is ontzettend veel onzin verschenen.”

Als voorbeeld noemt hij onderzoek waarbij in een gemeente werd bekeken bij welk percentage allochtone kinderen op school, Nederlanders hun kinderen van school zouden weghalen. “Dan wisten ambtenaren wanneer ze moesten stoppen met toelating van migranten. Onzinnig, omdat zo'n probleem wel van vijftig factoren afhankelijk is en niet in percentages valt uit te drukken.”

Volgens Bovenkerk zijn veel onderzoekers in de valkuil van deelonderzoeken getrapt, “gedicteerd èn gefinancierd” door de overheid. “Er is veel gemillimeter. De wetenschap is niet met voldoende eigen ideeën voor een multi-etnische samenleving gekomen.”

Inmiddels is de afdeling minderhedenbeleid op Binnenlandse Zaken gehalveerd (tot circa 25 man), zijn twee universitaire centra voor minderhedenonderzoek in Utrecht en Amsterdam na interne conflicten verdwenen en wordt de ACOM opgeheven. De ACOM nam een zo onafhankelijke positie in dat de overheid het college de laatste jaren steeds minder om advies vroeg bij de onderzoeksprogrammering. Of anderen nu het werk van de ACOM overnemen, is onzeker. Binnenlandse Zaken heeft volgens een woordvoerder “geen behoefte meer aan onderzoeksprogrammering”. Bovenkerk: “Nu ontstaat het risico dat er overal doublures in onderzoeken komen.”

In het nationale minderhedendebat (van minister Dales van binnenlandse zaken) zal hij geen rol spelen. “Die georganiseerde poging is mij te vaag. Dat debat was er al jaren. En zindelijk ook.”