Geen sprake van "communisme' bij Milieudefensie; Wat geeft Nederland het recht om per burger een groter milieugebruik op te eisen dan Malawi?

Vereniging Milieudefensie is in de war geraakt van haar pogingen "duurzame ontwikkeling' te concretiseren met behulp van het concept "milieugebruiksruimte', zo beweert althans Henri Beunders in NRC Handelsblad van 25 april. Hij schrijft: “Sommigen vinden de wekelijkse boetedoening bij de glasbak wel voldoende, anderen halen de heilige drie-eenheid der biobakken in huis. Weer anderen, zoals Milieudefensie, willen een geheel vernieuwde hemel op aarde”. Dat laatste is de kern van zijn kritiek. Hij verwijt Milieudefensie het propageren van een "ecologisch communisme'.

We zijn verheugd dat Beunders de discussie aangaat. Hij heeft het Actieplan echter niet helemaal begrepen. Duurzame ontwikkeling betekent in concreto dat grondstoffengebruik, de oogst van landbouwprodukten en hout, en de lozing van afvalstoffen aan grenzen gebonden zijn. De mensheid als geheel zal deze "wereldmilieugebruiksruimte' moeten respecteren.

De eerste wankele schreden op dit pad zijn inmiddels gezet, bijvoorbeeld met het sluiten van de Montreal-overeenkomst ter bescherming van de ozonlaag. Hierin wordt aan ontwikkelingslanden op per capita basis nog het recht op een bepaalde hoeveelheid ozonlaagaantastende stoffen toebedeeld. Ook in de internationale besprekingen over CO2-emissies zijn serieuze voorstellen gedaan om deze uitstoot gelijkelijk toe te rekenen aan de verschillende landen.

In het Actieplan Nederland Duurzaam geeft Milieudefensie de omvang aan van de milieugebruiksruimte voor fossiele brandstoffen, minerale grondstoffen, zoet water, agrarische produkten en hout. Het principe dat er grenzen zijn aan wat de mens van de aarde gebruiken kan, wordt door niemand ontkend. Ook niet door Beunders.

Felle discussie ontstaat echter over de vraag hoe dit milieugebruik over de wereldbevolking te verdelen. Op dit moment neemt een kwart van de wereldbevolking (het noorden) driekwart van het milieugebruik voor zijn rekening. Blijft deze verdeling zo scheef, dan is welvaartsgroei voor het zuiden binnen de wereldmilieugebruiksruimte vrijwel uitgesloten.

Ethisch gezien lijkt ons het uitgangspunt van een gelijke milieugebruiksruimte per wereldburger het enig verdedigbare. Wat geeft Nederland het recht om per burger een groter milieugebruik op te eisen dan Malawi? Er is daarnaast een krachtig politiek-pragmatisch argument: het ligt niet erg voor de hand dat landen in het zuiden constructief zullen meewerken aan vergaande afspraken over hulpbronnenbeheer, als deze gebaseerd zijn op een blijvend scheve verdeling van het gebruik van die hulpbronnen.

Het milieugebruik in het zuiden zal de komende jaren moeten toenemen. Niet alleen uit rechtvaardigheidsoverwegingen, maar ook op grond van milieu-argumenten. Het gebrek aan toegang tot hulpbronnen als energie en landbouwgrond leidt namelijk ook tot milieuproblemen. Denk aan de strooptochten naar brandhout in gebieden waar bomen juist hard nodig zijn om bodemdegradatie en "verwoestijning' tegen te gaan. Als het zuiden meer energie en grondstoffen moet gaan gebruiken en we toch binnen de wereldmilieugebruiksruimte willen blijven, is er maar één oplossing: het Noorden moet zijn milieugebruik matigen. Herverdeling dus. Als we in Nederland veel zuiniger gaan omspringen met energie en grondstoffen - wat technisch goed mogelijk is - hoeft deze matiging niet gepaard te gaan met wezenlijk verlies van welvaart. Het verbaast ons dat Beunders in deze analyse cryptocommunistische tendenzen ontwaart.

Met nadruk zij gesteld dat het bij de gelijke verdeling van het milieugebruik om een uitgangspunt gaat. Nadere detaillering is denkbaar (bij voorbeeld grotere energiebehoefte in koudere streken), evenals uitwisseling van milieugebruik (het ene land meer hout, het andere meer aluminium). Realisering hoeft ook niet van vandaag op morgen te gebeuren; geleidelijkheid ligt meer voor de hand.

Het Actieplan van Milieudefensie richt zich op het jaar 2010. De verhandelbaarheid (of liever: verhuurbaarheid) van quota kan er een nuttige rol bij spelen. Zo kan een flexibeler systeemm ontstaan waarbij - in een overgangsperiode - ontwikkelingslanden hun emissie-overschot "verkopen' om middelen voor de opbouw van hun economie te verwerven, terwijl het noorden geleidelijk een einde kan maken aan zijn overconsumptie. Dergelijke ideeën sluiten nauw aan bij voorstellen die in de internationale politiek circuleren. In het algemeen lijkt het aantrekkelijker om de markt een flinke rol te laten spelen dan alles nauwkeurig door de overheid te laten regelen.

Beunders meent dat Milieudefensie zich in plaats van met bovenstaande zaken beter met de gevaarlijke kerncentrales in Oost-Europa kan bezighouden. Het kan hem toch nauwelijks zijn ontgaan dat Milieudefensie al sinds haar oprichting pleit tegen kernenergie, en reeds voor de val van het communisme haar toen nog illegale zusterorganisaties in Oost-Europa hierbij ondersteunde. Maar - met de Verenigde Naties en de milieutop in Rio, juni '92 - vinden wij het ook nodig naar de toekomst te kijken, opdat het huidige tijdperk van milieucalamiteiten ooit eens kan worden afgesloten. Milieudefensie is niet in de war, maar zoekt doelgericht naar wegen die leiden tot duurzame ontwikkeling.