De toekomst van De Nederlandsche Bank

De Nederlandsche Bank NV (DNB) is een bijzondere bank. Je kunt er geen spaar- of betaalrekening openen. En ook als je een persoonlijke lening wilt afsluiten, ben je op het Amsterdamse Frederiksplein aan het verkeerde adres. DNB bankiert niet zomaar voor iedereen.

De voornaamste klanten van DNB zijn de particuliere banken en de overheid (het Rijk). DNB verleent aan de banken zo ongeveer dezelfde diensten die een particuliere bank aanbiedt aan zijn klanten. DNB is de Bank van de banken. De betaalrekeningen die de banken bij DNB hebben, gebruiken zij om elkaar te betalen. Verder kunnen de banken, als zij krap bij kas zitten, "rood staan' bij de Bank. Ook als zij bankbiljetten nodig hebben, kunnen zij bij DNB aankloppen. DNB heeft als enige bank het recht Nederlandse bankbiljetten in omloop te brengen, zij is circulatiebank. En als bewaarster van onze nationale goud- en valutareserve levert zij buitenlands geld aan de banken.

Daarnaast is de Bank ook kassier van het Rijk. Vrijwel alle betalingen en ontvangsten van het Rijk lopen via DNB. En als de minister van Financiën tevergeefs een greep doet in zijn schatkist, kan hij een beroep doen op DNB. Daarbij gaat het uitdrukkelijk alleen om tijdelijk krediet: leningen die datzelfde jaar weer moeten worden afgelost. Voor kredieten die bedoeld zijn om het overheidstekort te financieren, kan hij bij DNB niet terecht.

Hoewel DNB voor de volle honderd procent eigendom is van de Staat, kan de Bank haar beleid voor het grootste deel zelf bepalen. En dat is maar goed ook. Want stel dat een geld over de balk gooiend kabinet zou kunnen zeggen: “Meneer Duisenberg, laat u de bankbiljettenpers eens wat sneller draaien, we komen geld tekort...” Je kunt niet zonder risico meer geld in een economie pompen. Een vergroting van de geldhoeveelheid waar geen extra produktie tegenover staat, kan de waarde van de gulden ondermijnen: inflatie.

Daarmee zijn we gekomen bij de hoofdtaak van de Bank. DNB is hoedster van de gulden. Zij heeft als opdracht de waarde van de gulden te bewaken. Daarbij gaat het zowel om de waarde van de gulden in het buitenland, de wisselkoers als om de binnenlandse koopkracht van de gulden.

Eerst het wisselkoersbeleid. Binnen het Europees Monetair Stelsel (EMS) mag de gulden niet meer dan een afgesproken percentage in koers schommelen ten opzichte van de andere EMS-munten. DNB richt zich vooral op de koersverhouding tussen gulden en Duitse mark. Het belangrijkste instrument hierbij is de rente. Als de gulden een tikje te zwak dreigt te worden ten opzichte van de mark, verhoogt de Bank de rente. Daardoor wordt het aantrekkelijker om in Nederland te beleggen. Beleggers ruilen hun Duitse marken, Britse ponden enzovoort op de valutamarkt in voor guldens. Die toegenomen vraag naar guldens maakt de gulden dan weer iets sterker. Veel ruimte om een eigen wisselkoersbeleid te voeren heeft de Bank niet. Door de koppeling van de gulden aan de mark kan DNB niet anders dan zich aansluiten bij het Duitse beleid.

In de tweede plaats het anti-inflatiebeleid. Tot het begin van de jaren tachtig werkte dit beleid van DNB in grote trekken zo: zorg dat de geldhoeveelheid niet te hard groeit, dan hou je de geldontwaarding in de hand. In de praktijk gebeurde dat door zonodig een rem te zetten op de kredietverlening door particuliere banken. Maar in de afgelopen tien jaar bleek dat beleid steeds minder goed te werken. Behalve door de tekortfinanciering van het Rijk en de kredietverlening door banken, kan de Nederlandse geldhoeveelheid ook groeien door ons betalingsverkeer met het buitenland.

Als een Franse belegger bij voorbeeld zijn vermogen in Nederland wil onderbrengen, wisselt hij zijn francs om voor guldens. Hierdoor neemt de Nederlandse geldhoeveelheid toe. Het internationale kapitaalverkeer is in de loop der jaren steeds vrijer geworden. Zeker binnen de Europese Gemeenschap is er in feite sprake van één grote financiële markt. Op die internationale bron van geldschepping heeft DNB geen greep. In het op 28 april j.l. verschenen Jaarverslag over 1991 merkt Bankpresident dr. W.F. Duisenberg dan ook op: “Deze ontwikkelingen hebben ertoe bijgedragen dat het geldhoeveelheidsbeleid in ons land steeds meer ondergeschikt werd gemaakt, moest worden gemaakt, aan het wisselkoersbeleid”.

Door het streven naar een vaste band tussen gulden en Duitse mark is van een zelfstandig wisselkoersbeleid nauwelijks sprake. En de Europese eenwording heeft er intussen ook voor gezorgd dat het geldhoeveelheidsbeleid van DNB vrijwel tot het verleden behoort. Als straks in 1997 of op z'n laatst in 1999 de Economische en Monetaire Unie (EMU) van start gaat, is er helemaal geen plaats meer voor een Nederlandse geldpolitiek. Er is dan immers nog maar één Europese munt. Komt er dan een groot kantoorpand vrij in Amsterdam?

Nee, ook in de nieuwe situatie zal er nog genoeg te doen zijn in de dubbele toren aan het Frederiksplein, zoals: deelnemen aan het bestuur van de nieuwe Europese Centrale Bank (in Amsterdam?) en het uitvoeren van de Europese geldpolitiek. Wat status betreft heeft DNB dan intussen wel een aantal stapjes terug moeten doen: van beleidsmaker naar filiaalhouder.