De omstreden aantrekkingskracht van Nederland

Voor een klein land als het onze is het buitenland zeer belangrijk. Als dan wordt gemeld dat buitenlandse bedrijven Nederland om fiscale reden steeds meer links laten liggen, is dat zorgwekkend nieuws. Of wordt de soep minder heet gegeten dan opgediend?

Buitenlandse investeringen zijn voor een kleine en open economie als de Nederlandse van levensbelang. Dat blijkt uit de cijfers. Bij ons hadden zich begin dit jaar niet minder dan 5425 buitenlandse bedrijven gevestigd die aan 320700 mensen werk bieden en een dikke twintig procent van onze industriële werkgelegenheid verzorgen. Als er dan, zoals vorige maand, berichten op de voorpagina's van kranten verschijnen met zorgwekkende koppen als "Nederland mist voor tientallen miljarden aan investeringen', is dat niet niks.

De bron van deze onaangename verrassing was een rapport van het accountantsbureau Price Waterhouse waarvan de hoofdlijnen afgelopen maart uitlekten en dat pas vorige week werd vrijgegeven. Daarin wordt op basis van een enquête onder leden van de Nederlandse orde van belastingadviseurs gemeld dat wij de afgelopen jaren direct voor 1,5 à 3 miljard gulden en indirect voor 2,5 à 5 miljard aan buitenlandse investeringen misliepen. Want andere landen bieden betere fiscale faciliteiten. Daarom lieten 34 potentiële investeerders ons links liggen. En waarschijnlijk beloopt de vaderlandse strop een veelvoud van deze miljardenbedragen omdat lang niet alle potentiële buitenlandse investeerders bij onze belastingadviseurs plegen langs te gaan. “De enquête bevestigt het beeld dat vooral Ierland en België succesvol zijn met hun fiscale stimuleringsmaatregelen en investeringen wegtrekken uit Nederland”, aldus Price Waterhouse.

De zorgwekkende conclusies in het rapport van Price Waterhouse waren in wat mildere bewoordingen ook al te lezen in het rapport "Economie met open grenzen' dat het ministerie van economische zaken eind 1990 liet verschijnen. De Nederlandse belastingheffing bevindt zich op een "relatief hoog peil', aldus dit rapport. “In de ranglijsten van het World Economic Forum nemen wij daardoor een vrij slechte positie in. Van de 22 onderzochte landen worden alleen Japan, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen nog slechter beoordeeld.”

Het EZ-rapport stelt vast dat ook onze hoge belasting op arbeid internationaal wordt aangemerkt als een belangrijke zwakte van het Nederlandse ondernemersklimaat. “100.000 bruto is in Nederland 40.000 netto en in Engeland 70.000 netto; Nederlandse arbeid kost te veel en verdient te weinig.” Anders gezegd: terwijl Nederland zich nog een soort belastingparadijs waant, zijn andere Westeuropese landen een inhaalrace begonnen en is het zelfvoldane vaderland in snel tempo afgezakt naar de bescheiden middenmoot.

Toch zijn er redenen om de fiscaal getinte semi-paniek in het kielzog van het Price Waterhouse-rapport enigszins te relativeren. Zo blijkt van de 34 bedrijven, die ons land om fiscale reden meden, zeker eenderde te bestaan uit holdings en niet uit produktie-bedrijven. Daar komt nog bij dat uit het rapport niet duidelijk blijkt over welke periode die 34 firma's afhaakten. Ging dat over vele jaren of over het laatste jaar? Dat maakt nog al wat uit.

Bij het Nijmeegse Buck Consultants International, dat een goed deel van zijn brood verdient met het adviseren van vooral Amerikaanse en Japanse bedrijven die in Europa aan de slag willen, toont men zich dan ook niet echt onder de indruk van het rapport Price Waterhouse. Directeur drs. René Buck vertelt: “Dat tal van bedrijven om specifiek fiscale reden niet naar Nederland zouden komen, lijkt mij een gewaagde veronderstelling”.

Buck wil zeker niet beweren dat de waarschuwing van Price Waterhouse zonder grond is en dat Nederland z'n fiscale klimaat niet zou kunnen verbeteren. “Maar"", zo zegt hij, “dat is natuurlijk maar één van de vele factoren die een vestigingsbesluit van een buitenlands bedrijf bepalen.” Vanuit die meer globale optiek staat wel vast dat Nederland het vergeleken met andere Europese landen allerminst slecht doet. Dat blijkt bij voorbeeld uit de studie "De aantrekkingskracht van de Randstad in internationaal perspectief' die Buck Consultants vorig jaar in opdracht van Economische Zaken vervaardigde.

Pag.10: Buitenlandse bedrijven waarderen Nederland

In die studie wordt aan de hand van vestigingsfactoren als markt, bedrijfsklimaat, arbeidsmarkt, infrastructuur, leefomgeving en natuurlijk ook fiscaal klimaat de aantrekkelijkheid van de Randstad voor Amerikaanse en Japanse bedrijven afgepaald tegen die van zes andere Europese regio's: Londen, Parijs, Brussel/Antwerpen, Hamburg, Frankfurt en Düsseldorf/Keulen. Enkele resultaten over de periode 1987-1990: Van de 103 Amerikaanse en Japanse "hoogwaardige produktievestigingen' die toen naar de genoemde Europese regio's kwamen, nam Nederland er 9 (9 procent) voor z'n rekening. Van de 147 "overige produktievestigingen' gingen er 16 (11 procent) naar Nederland. Van de in totaal 38 geopende research-instellingen kwamen er 6 (16 procent) naar ons. Van de Europese hoofdkantoren van Amerikaanse en Japanse bedrijven wist Nederland maar liefst twintig procent te strikken. Van de 28 nieuwe distributiecentra gingen er zelfs 18 (61 procent) naar ons land. En dan te bedenken dat het Nederlandse aandeel in het bruto binnenlandse produkt van die vijf Europese landen slechts 6,7 procent bedraagt. Het rapport-Buck concludeert dan ook: “Nederland heeft een goed marktaandeel bij de vestiging van bedrijven in Noordwest-Europa.”

In 1991 voer Nederland wederom wel terwijl de prognoses zeker niet slecht zijn. René Buck: “Van de ongeveer 60 Amerikaanse bedrijven die vorig jaar naar Europa kwamen, vestigden zich er 8 (12 procent) in Nederland. En van de 60 Amerikaanse bedrijven die aankondigden naar Europa te komen, geven er 6 ( 10 procent) de voorkeur aan ons land. Neem alleen al het besluit van Eastman Chemical om in Rotterdam of Moerdijk te beginnen. Of Mobil Chemical dat voor vierhonderd miljoen gulden in Kerkrade een fabriek voor verpakkingsfolie gaat bouwen.”

Ook de Japanse interesse voor Nederland blijft, volgens Buck, behoorlijk. “Van de 35 Japanse bedrijven die in 1991 in Europa aan de slag gingen kreeg Nederland er 3 (9,5 procent). En van de ruim 30 Japanners die hebben aangekondigd naar Europa te willen komen kiezen er 4 (12 procent) voor ons. Dat is allemaal meer dan waarop we, gezien de omvang van onze economie, recht hebben.”Wel signaleert locatieconsulent Buck dat de buitenlandse investeringsgolf in heel Europa afvlakt, met name door de economische malaise in de VS en Japan.

In het rapport "De aantrekkingskracht van de Randstad in internationaal perpectief' probeert Buck Consultants in het kader van een concurrentie-analyse het belang van locatiefactoren per type vestiging te "wegen'. Daaruit blijkt dat factoren als bedrijfsklimaat, infrastructuur en arbeidsmarkt gemiddeld het hoogst scoren. Hoger dan de factor fiscaal klimaat die in het eerder genoemde Price Waterhouse-rapport centraal staat en verantwoordelijk wordt gesteld voor de beweerde aftakeling van Nederland als vestigingsparadijs. De factor markt komt ongeveer even hoog uit als fiscaal klimaat, terwijl locatiefactoren als macro-economisch profiel, leefomgeving, bedrijfslocatie en operationale kosten van minder belang blijken.

Wordt dus het belang van het fiscale element in de locatiekeuze van buitenlandse bedrijven niet sterk overdreven? “De discussie naar aanleiding van het Price Waterhouse-rapport is inderdaad wat eenzijdig”, meent René Buck. “Uit onze ervaring blijkt duidelijk dat vele factoren tellen. Wat niet wegneemt dat de fiscale renovatie, die het ministerie van financiën nu heeft beloofd, belangrijk is.” De Nijmeegse consulent redeneert: “Nederland heeft als potentiële vestigingsplaats voor buitenlandse bedrijven een aantal moeilijk te veranderen nadelen. Zoals zijn kleine markt en z'n betrekkelijke hoge loonkosten, zeker ten opzichte van Zuid-Europa. Dat is niet rampzalig. Maar dan moet je er voor zorgen dat je excelleert in zaken die je wèl kunt beïnvloeden, zoals infrastructuur en fiscaal klimaat.”

Dr. Willem Vermeend, Tweede-Kamerlid en fiscaal goeroe van de PvdA, meent echter dat die noodzakelijke fiscale excellentie ver te zoeken is in Nederland. Hij verzekert: “Ook al zouden we de helft of meer van de door Price Waterhouse gesignaleerde miljardenverliezen aan buitenlandse investeringen aftrekken, dan nog blijft de trend zorgelijk.” Dat hangt, volgens Vermeend, samen met enkele Europese ontwikkelingen. “Zo zie je dat de Europese overheden door de EG worden gedwongen voorzichtiger om te gaan met steun en subsidies van staatswege. Dat betekent minder mogelijkheden om buitenlandse bedrijven met extraatjes te lokken. Verder vermindert onze voorsprong door de harmonisatie van systemen van directe belastingen in Europa.”

De fiscale specialist laat daarop volgen: “ Maar andere landen hebben zich daar niet bij neergelegd en zijn doorgegaan. Sommigen hebben speciale fiscale pakketten ontwikkeld om specifieke bedrijven aan te trekken. Zoals de Belgen met hun coördinatiecentra --als Belgische onderneming opgezette bijkantoren van buitenlandse bedrijven. Andere landen lanceerden ingenieuze systemen voor fiscaalvrije afschrijvingen of werkgelegenheidszones waar het door privileges en faciliteiten aantrekkelijk wordt om bedrijven te vestigen. Dat is de trend.”

Willem Vermeend gelooft dat Nederland nog steeds een goed belastingklimaat heeft. Maar aan de andere kant, zo vreest Vermeend, verliezen we een deel van onze voorsprong doordat we te weinig oog hebben voor de genoemde buitenlandse ontwikkelingen. “Wij zijn te provinciaal. Je moet op ontwikkelingen in het buitenland reageren en ze het liefst vóór zijn.”

Dat blijkt nu juist het probleem. Toen het Kamerlid in 1989 het ministerie van financiën een overzicht vroeg van recente internationale ontwikkelingen op belastingterrein - wat onze fiscale concurrentiepositie zichtbaar zou maken - bleek het daartoe niet in staat. Zelfs nù moet Vermeend het nog altijd doen met toezeggingen van staatssecretaris Van Amelsvoort. Intussen behelpt hij zich met de fiscale overzichten die de internationale accountantsbureaus hem allang kunnen leveren.

Volgens de laatste prognose is het volgende maand zover en zal Financiën dan eindelijk de beloofde internationale overzichten, alsmede een fiscale renovatienota afscheiden. Dat is volgens de fiscale specialist van de PvdA de hoogste tijd. Want al wil Vermeend andere locatiefactoren niet onderschatten, voor hèm staat vast dat het belang van de fiscale factor bij de locatiekeuze van bedrijven almaar groeit. Hij licht toe: “Allereerst zie je dat de EG-lidstaten de komende twintig jaar hun autonomie op fiscaal terrein nog niet aan Brussel zullen prijsgeven. Tegelijk wordt het door het wegvallen van de Europese binnengrenzen steeds eenvoudiger je elders te vestigen. Daarmee wint de fiscale factor aan belang.”

Vermeend voegt daar aan toe: “Dat speelt vooral in flexibele sectoren waar Nederland het juist van moet hebben, zoals dienstverlening en consultancy. Zulke firma's zijn in tegenstelling tot produktiebedrijven minder gebonden aan bepaalde locaties en kunnen, als het fiscaal uitkomt, zo verkassen naar Brussel of München.”

Drs. R. Buck van Buck Consultants legt met alle respect voor de fiscale factor echter een andere klemtoon. “In mijn optiek wordt het arbeidsklimaat de komende tien jaar veruit de voornaamste vestigingsfactor”, weet hij. “Ik bedoel niet alleen de arbeidskosten of de arbeidsproduktiviteit maar het hele conglomeraat waaronder ook zaken vallen als beschikbaarheid van personeel, houding vakbonden, trainingsfaciliteiten, motivatie, bereidheid van mensen om 's avonds lessen te volgen en zo voort. Dat wordt de voornaamste locatiefactor.”

René Buck verwijst naar het voorbeeld van Toyota in Engeland, dat daar zijn tweeduizend nieuwe personeelsleden gemiddeld tien uur testte en ondervroeg. “Er werden zelfs interviews afgenomen in het weekeinde om de motivatie te peilen”, vertelt hij. “Juist omdat de technologische ontwikkelingen zo snel gaan, worden behalve vakbekwaamheid ook houding, motivatie en flexibiliteit belangrijker.” Robert McNamara, oud-directeur van de Wereldbank, zei het onlangs zo: “Wie niet concurreert op scholingsniveau, concurreert met de Derde wereld.”