Dauwdruppels

Kamperen in het Land van Herve en daar ten zuiden van. Bloeiende fruitbomen, open riolen, "Retour a Liège', de koekoek, de gierzwaluw (boven Limbourg) en de nutteloze waarneming dat van alle vogels het roodborstje na zonsondergang het hardnekkigst doorzingt. Tot 21.20 uur eind april, ongeacht de ligging van het territorium van het borstje. En dat jaar in jaar uit, zoals oude aantekeningen leren.

Gepeinsd over de vraag of het waar zou zijn, zoals Minnaert beweert, dat een onbewoonde tent 's nachst kouder wordt dan de omringende lucht (maar niet de proef op de som genomen). Hoe het kan dat de zon om half twee in het zuiden staat en vijf uur later alweer in het westen, anders dan Baden Powel wil (zoals mos tegen zijn aanwijzingen in wel degelijk ook op de zuidkant van de bomen groeit). Hoe dicht sparren op elkaar moeten staan om een perceel van gemiddelde omvang net geheel ondoorzichtig te maken.

Maar het meest getroffen door de waarneming dat het gras van de vruchtbare en welbemeste Ardenner weilanden al tegen een uur of acht 's avonds drijfnat is van de dauw terwijl het polyesterdak van de tent pas uren later vochtig wordt. En gefrappeerd door de vreemde wijze waarop de dauw zich op dat gras afzet: als een druppel met een diameter van een paar millimeter aan het uiteinde van de sprieten. De rest van het blad blijft droog - zeker aan het begin van de avond.

Waarom blijft de tent zo lang droog en waarom zet de dauw, of wat daar voor door gaat, zich niet af op het hele bladoppervlak? Zou het lukken eindelijk het vermoeden bevestigd te krijgen dat wat iedereen altijd gemakshalve "dauw' noemt helemaal geen fysisch verschijnsel is maar een fysiologisch verschijnsel. Dat de hangende druppel niet op het grasblad wordt afgezet maar door het blad naar buiten wordt geperst? Dat hier geen sprake is van condensatie maar van guttatie, zoals die van tijd tot tijd, maar vooral op drukkende zomeravonden, zichtbaar wordt bij de Chlorophytum (de "sprietenplant') binnen of de Oost-Indische Kers buiten?

De fysicus Minnaert is in zijn "vrije veld' wat rommelig over dauw. Zoveel is duidelijk dat hij de nachtelijke natheid van het gras in de meeste gevallen voor echte dauw versleten moet hebben. Hij toont zich tevreden over de fysische verklaring van het verschijnsel: het gras wordt door uitstraling 's nachts aantoonbaar kouder dan de omringende lucht. Dat is een basisvoorwaarde voor het ontstaan van condens natuurlijk. En Minnaert gaat al in op de vraag of het dauwvocht nu bestaat uit water dat voornamelijk uit de bovenstaande lucht afkomstig is, of dat het uit de bodem komt. Voornamelijk bodemvocht is het, meent hij, en hij meldt in het voorbijgaan dat dauwdruppels meestal niet groter worden dan 1 millimeter en op beide zijden van het bladoppervlak voorkomen. Maar daar in België zaten ze 's avonds alleen op de bladpunt. En wel drie millimeter dik.

Dat verhoogt het belang van die losstaande neven-notities waar Minnaert zo gul mee is: dat op heide en droge varens zelden dauw ontstaat en dat er ook nog druppeltjes zijn "die veel planten zelf uit hun bladeren persen'. Ze zitten meestal aan de rand en aan de top van het blad, noteert hij. "Dauw daarentegen bevochtigt het hele bladoppervlak'. Maar hoe algemeen het verschijnsel is laat hij in het midden.

De Encyclopaedia Britannica, vaste vraagbaak voor deze rubriek, laat het opmerkelijk genoeg helemaal afweten. Een cliché-verhaaltje. Dat het hydrologisch belang van dauw waarschijnlijk gering is omdat het meeste vocht uit de bodem komt. Geen woord over vocht dat door de bladen zelf naar buiten wordt geperst. Het lemma "guttation' is niet opgenomen.

Dr.ir. L. Wartena, hoogleraar meteorologie en omgevingsnaturkunde aan de Landbouw Universiteit Wageningen, verwacht toch wel dat vooral condensatie op gras zal plaats vinden. Hij heeft met infrarood-technieken veel onderzoek gedaan aan de temperatuur van het gras en vastgesteld dat die 's nachts wel vijf tot tien graden lager kan zijn dan de bovenstaande lucht. "De lucht koelt af doordat het gras afkoelt, en niet andersom. Gras straalt veel beter uit.' Maar, geeft Wartena toe, als de druppel uitsluitend aan het bladuiteinde hangt dan pleit er veel voor guttatie.

Er is hier zo vaak gehoond op de Winkler Prins dat het een genoegen is iets aardigs over het naslagwerk te schrijven als die kans zich voordoet. Met een minimum aan woorden en een maximum aan referenties zegt de Prins bij "dauw' waar het op staat: dauw kan ook ontstaan door het uitpersen van waterdruppeltjes aan de punten van grassprieten. De vraag is, wie heeft dat geschreven? "Ik heb de meteorologische onderwerpen geredigeerd', zegt drs. B. Zwart, meteoroloog van het KNMI in De Bilt, behoedzaam. Maar daarna is hij veel stelliger: vocht aan de punten van het gras moet guttatie zijn. Daar komt bij dat guttatie van gras vooral voorkomt in het voorjaar, als het gras hard groeit.

"En als het gewas zwaar bemest is', voegt prof.dr. H. van den Ende, plantenfysioloog aan de universiteit van Amsterdam, er aan toe. "Guttatie is een geweldig onderbelicht verschijnsel, zoals de gehele waterhuishouding van planten lange tijd weinig aandacht kreeg, al is dat nu weer aan het verbeteren. Het leidt geen twijfel dat het guttatie was, wat u zag. De meeste kruidachtige planten zijn tot guttatie in staat, alleen bomen schijnen het niet te doen. U moet guttatie zien als een soort onbalans tussen worteldruk en tekortschietende verdamping. Het is een bijkomstigheid die voor de plant zelf verder geen betekenis heeft. Zoals trouwens ook echte dauw voor planten van weinig belang is: ze kunnen het dauwvocht nauwelijks opnemen'.