Coalitie achter kabinet, maar de verschillen blijven

DEN HAAG, 30 APRIL. Een mooie inwijding van de nieuwe Kamerzaal was het, het levendige debat over de kabinetsplannnen inzake de koopkrachtontwikkelingen in 1993. Het onderwerp had weliswaar een onwezenlijke ondertoon, omdat iedereen het er over eens is dat eerst in de zomer de echte besluiten zullen worden genomen. Dan pas hoeft de begroting af te zijn en ook dan pas zijn meer betrouwbare inkomenscijfers voor 1993 beschikbaar zijn. Er zijn echter geen duidelijke conclusies getrokken. De messen voor de echte strijd blijven nog even in de kast liggen. Maar de onderhuidse spanning tussen CDA en PvdA, de “sfeer van kregelig wantrouwen” in de woorden van Van Mierlo, was tijdens het debat goed voelbaar. Dat was ook geen wonder, na het afgelopen ruige weekeinde waarin de PvdA haar onaanvaardbaar tegen een mogelijke denivellering had uitgesproken, die Lubbers juist op vrijdag weer niet geheel onwenselijk leek te houden.

Als niet beide coalitiepartijen zorgvuldig hadden vastgehouden aan de brief van het kabinet had de coalitie nog in grote problemen kunnen komen. In die brief hadden maandagavond premier Lubbers (CDA) en vice-premier Kok (PvdA) hun twist over de mogelijke denivellering in 1993 bijgelegd met de formulering dat het kabinet niet zou berusten in de sombere verwachtingen voor de koopkracht van de minima, zonder overigens een garantie af te geven. Vooral PvdA-fractievoorzitter Wöltgens, die zich tijdens het debat ver hield van vrijwel ieder strijdgewoel, toonde zich verheugd met deze "inspanningsverplichting' om denivellering te voorkomen. Dat zijn CDA-collega Brinkman daar zeer waarschijnlijk anders over denkt bleek, toen Wöltgens hem in hun enige belangrijke confrontatie tijdens het debat op de man af vroeg of hij het in prinicipe aanvaardbaar vindt wanneer bejaarden er in inkomen op achteruit gaan en mensen met een hoog inkomen er op achteruit. Brinkman vermeed daarop te antwoorden. Hij zei slechts dat hij de jiste feiten over de inkomensontwikkeling boven tafel wilde krijgen. Brinkman sprak soms met nauwelijks verholen dreigementen. “Het is nog geen tijd voor een ander beleid” luidde de eerste zin van zijn verhaal, een directe ontkenning van de verkiezingsleus van de PvdA in 1989. Terwijl de ministers Kok (financiën) en De Vries (sociale zaken) in het debat de problemen accentueerden van de financiering van lastenverlichting bleef Brinkman voortdurend op de noodzaak daartoe hameren. In tegenstelling tot het kabinet wil hij daarvoor verder bezuinigen op de uitgaven. Premier Lubbers hield in reactie daarop een fel betoog waarin hij uiteenzette dat dat het kabinet al blij mag zijn als de “onontkoombare extra uitgaven” kunnen worden gecompenseerd door “onontkoombare bezuinigingen”. “Daarom zijn wij ook dolblij met suggesties voor mogelijkheden tot extra bezuinigingen, want wij kennen ze niet. We zijn nu op het punt gekomen dat er veel wezenlijke punten zijn waar we gewoon niets minder aan kunne doen.”. Echt lij was Lubbers echter niet met Brinkman's suggesties, onder andere een voorstel tot verlaging van de studiefinanciering en van de huursubsidie voor jopngeren. In de tweede termijn volstond Brinkman er mee te melden dat hij alles wat hij eerder had gezegd van “grote betekenis” acht en nog eens “nadrukkelijk” aanbeval in de aandacht van het kabinet. Terwijl Brinkman dit zei begon premier Lubbers duidelijk ongeduldig met zijn hoofd te schudden, alsof hij wilde zeggen: ja ja, dat weten we nu wel.

Tegenover dit wankele maar gesloten regeringsfront stond de oppositie machteloos. “Het zakelijke verschil tussen de premier en de vice-premier is niet in procenten te meten” zei VVD-fractievoorzitter Bolkestein - enigszins teleurgesteld - al aan het begin van het debat. De gespannen sfeer liet zich echter niet quantificeren.

Lubbers ontkende tegenover Bolkestein stellig ooit een loflied op denivellering te hebben aangeheven. Hij zei dat hij op de bewuste persconferentie, waar vorige week vrijdag alle tumult begonnen is, alleen niet had willen willen verzwijgen hoe slecht de vooruitzichten waren en hij had uiteengezet dat er wel een positief werkgelegenheidseffect kan voortvloeien uit grotere inkomensverschillen. Het tumult was volgens hem mede ontstaan omdat als de ministerpresident zegt hoe ernstig het is dat een ene veel grotere schok teweegbrengt dan wanneer zoiets in rapporten van het planbureau verschijnt. Nadat Groen-Linksfractievoorzitter Beckers hem wéér had gevraagd waarom hij geen garantie wilde geven de koopkracht van de minima te handhaven zei Lubbers: “Wie doet alsof het doel en uitgangspunt van het kabinet is om koopkrachtachteruitgang voor de minima te bereiken, moet toch wel een gaatje in zijn hoofd hebben. We kunnen gewoon niet toveren.”

Kok zei op zijn beurt er niet aan te twijfelen dat de premier de kabinetsbesluiten vrijdag “op preciese wijze vorm heeft gegeven”. Het was meer de beeldvormig achteraf geweest, en daarom gaf hij toe dat het beter was geweest als al op vrijdag de brief zou zijn geschreven. Dan waren er niet zoveel misverstanden gerezen over wat er nu werkelijk was besproken. Koks schrik en zorg, die hadden geleid tot zijn “onaanvaardbaar”, waren vooral gebaseerd op de “averechtse effecten” van de presentatie van het beleid door premier Lubbers, “Het is een minicrisis van 48 uur geweest”, was na afloop van het debat de montere conclusie van premier Lubbers. Maar er was niemand die geloofde dat de problemen nu ook echt voorbij zijn.