Arme landen eisen extra geld milieu

KUALA LUMPUR, 30 APRIL. De driedaagse milieuconferentie van ontwikkelingslanden die werd gehouden in Kuala Lumpur, is gisteren afgesloten met een oproep aan de rijke landen meer geld beschikbaar te stellen voor mondiaal milieubehoud.

De milieuministers van meer dan vijftig ontwikkelingslanden wilden zich in de Maleisische hoofdstad beraden op een gezamenlijk standpunt tijdens de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED), die in juni wordt gehouden in Rio de Janeiro.

De ontwikkelingslanden, verenigd in de zogeheten "G-77', stellen de rijke landen verantwoordelijk voor hun economische en milieu-problemen. De Maleisische premier Mahathir Mohamed verklaarde uit te sluiten dat het arme zuiden zijn economische ontwikkeling zal “opofferen” voor het milieuprogramma dat de rijke landen eisen. Volgens hem is nu de tijd aangebroken om “veertig jaar van verwaarlozing” in te halen.

De landen eisen het “soevereine beheer” van hun eigen bodem- en natuurschatten - onder meer via een “niet bindende verklaring over de bescherming van bossen” - en tevens een grotere zeggenschap in de financiering van het mondiale milieubeleid na "Rio'. Begin deze week herhaalden zij daartoe hun eis tot de vorming van een nieuw, zogeheten "Groen Fonds, waarin elk land een gelijke stem zou hebben. Zo'n fonds zou de huidige zogeheten Global Environmental Facility (GEF) moeten vervangen, die onder de Wereldbank ressorteert. De ontwikkelingslanden verzetten zich tegen beheer door de Wereldbank, omdat zij vinden dat de landen die de Wereldbank financieren zo een te grote invloed krijgen op de besteding van de milieugelden.

Een aantal westerse landen - waaronder de Verenigde Saten, Australië en Frankrijk - heeft de eis voor een afzonderlijk Groen Fonds afgewezen. Zij houden vast aan de GEF, eventueel aangevuld met extra geld en met een aangepast beheer waarin de ontwikkelingslanden een grotere stem kunnen hebben. Ook tijdens een ministersbijeenkomst van de Wereldbank die deze week in Washington wordt gehouden, is consensus ontstaan over het “optuigen” van het GEF, dat nu een bedrag van 1 miljard dollar bevat.

De directeur van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), Mustafa Tolba, heeft gisteren opnieuw gezegd dat de industrielanden hun officiële ontwikkelingshulp tot het jaar 2000 moeten opvoeren van 0,35 procent van het bruto nationaal produkt (BNP) naar 0,7 procent van het bruto nationaal produkt. Daarmee zou de het volledige pakket milieumaatregelen van UNCED ter grootte van 125 miljard dollar betaald kunnen worden. (AP, Reuter)