Zonder vijand moet Amerika er nu met vrienden uitkomen

Nu er van het Kremlin geen dreiging meer uitgaat, betreden de Amerikanen en hun bondgenoten een tijdperk van permanente spanning. Bondgenootschappelijke instituten die zich tijdens de Koude Oorlog bezighielden met het verminderen van die spanningen, moeten verdwijnen of worden voorzien van nieuwe taken.

Japan wordt tegenwoordig door de Amerikanen omschreven als hun belangrijkste tegenstander. Een functionaris van het Witte Huis noemt Frankrijk in besprekingen met andere Amerikaanse instanties “een strategische tegenstander”. De gespierde diplomatie van Duitsland in de Joegoslavische crisis ontlokt Washington kritiek op ongepaste “assertiviteit”.

De bondgenoten reageren met enig ongemak als ze zien hoe Amerika debatteert over de vraag hoe het “de nieuwe en betere wereldorde”, waarvan minister van buitenlandse zaken James Baker heeft gerept, gestalte wil geven.

Nergens is dat ongemak duidelijker zichtbaar dan in de Europese en Japanse reactie op Amerikaanse benadering van de voormalige Sovjet-Unie. Washington is op het oog lang passief gebleven, om vervolgens over te gaan tot een periode van vliegende haast: er moest een conferentie over humanitaire hulp komen (in Washington, onder voorzitterschap van Baker) en er moest (op het hoogtepunt van de campagne voor het Amerikaanse presidentschap) een stabilisatiepakket van de G-7 op tafel worden gelegd. Veel bevriende functionarissen interpreteren dat op het oog chaotische gedrag als een bewuste Amerikaanse poging het beleid van de bondgenoten ten opzichte van Rusland stevig in de hand te houden en de anderen niet de tijd te geven hun evenwicht te hervinden. “Ze kunnen net zo goed een bordje op de deur hangen "Strategisch overleg gaande - bondgenoten worden geweerd',” zo zei een vooraanstaande Franse functionaris onlangs tegen mij.

Amerikaanse woordvoerders zeggen afwisselend dat die spanningen niet bestaan en dat ze altijd hebben bestaan. Wrijvingen over handelskwesties of het verdelen van lasten zijn volgens hen in het verleden overschaduwd door de gemeenschappelijke noodzaak de Sovjet-dreiging het hoofd te bieden. Op recente reizen naar Europa en Japan echter is me duidelijk geworden dat de bezorgdheid over de Amerikaanse bedoelingen met het vroeger onomstreden leiderschap van Washington een substantie en diepgang heeft die vroeger ontbraken.

Krantekoppen worden gewijd aan onverkwikkelijke scheldpartijen - een ruzie tussen Washington en Bonn over de Duitse rentestand, of het Amerikaanse ongenoegen over Japans "chequeboek-diplomatie' in de Golfoorlog. Maar de serieuze problemen hebben weinig van doen met de incidentele aanpak van bepaalde kwesties door Washington, Tokio, Parijs of Bonn. Ze worden ook niet beïnvloed door snel ingrijpen op hoog niveau of door de uitwisseling van sussende boodschappen.

Meer dan vier decennia lang heeft Amerika het bondgenootschap gedomineerd door middel van de NAVO en het Amerikaans-Japans veiligheidsverdrag, ad hoc gebruikmakend van de G-7, de Verenigde Naties en een paar andere internationale organisaties. Washington belijdt een nieuwe trouw aan "collectief engagement' en belooft medezeggenschap over de controlemechanismen. Maar binnen het bondgenootschap vraagt men zich steeds vaker af of de Amerikaanse beleidsmakers al hebben begrepen wat voor radicalekoerswijziging nodig is om nieuwe structuren op te zetten waarmee bij het streven naar gemeenschappelijke doelen en het begrenzen van gezamenlijke spanningen beter kan worden samengewerkt.

“Wrijvingen op het gebied van handel zijn er en blijven er”, zei één van de belangrijkste politieke leiders binnen de Japanse regering tegen mij, toen we het in Tokio hadden over het 43 miljard dollar omvattende overschot dat Japan het vorig jaar in de handel met de VS boekte en dat het ook dit jaart boekt. “De Amerikanen zullen moeten leren hoe ze daarmee leven, zonder een hoop drama en verontwaardiging. Dat doen wij ook.”

Het gaat er niet alleen om dat de Koude Oorlog is afgelopen. Van even groot belang is het feit dat er een eind is gekomen aan het tijdperk van de Amerikaanse politieke leiding in het Westen, die door de uitkomsten van de Tweede Wereldoorlog werd bepaald.

De Amerikanen, ingebed in de Koude Oorlog en hun eigen problemen, hebben maar weinig aandacht besteed aan de invloed die die oorlog van een halve eeuw geleden is blijven uitoefenen op de binnenlandse politiek en de opvattingen in Europa en Azië. Maar wat er gebeurt nu die gevolgen deel gaan uitmaken van de geschiedenis illustreert hoe krachtig ze zijn geweest.

Rechtse extremisten en racistische politici wier denkbeelden in de nazitijd in diskrediet zijn geraakt hebben in de afgelopen weken aanzienlijke successen geboekt in regionale en nationale verkiezingen in Duitsland, Frankrijk en Italië. De aanwezigheid van grote aantallen Arabische, Turkse en Afrikaanse arbeiders en de bezorgdheid over de mogelijkheid dat onrust in Noord-Afrika en het Midden-Oosten aanleiding kan vormen voor nieuwe golven immigranten naar West-Europa, hebben in Duitsland, Italië en Frankrijk in snel tempo de Sovjet-dreiging vervangen als bron van angst en bezorgheid.

Kiezers hebben zich tot milieu- en andere protestpartijen gekeerd. De uit de Koude Oorlog daterende bonus die partijen als de Italiaanse en Duitse christen-democraten konden verwachten als groeperingen die het best in staat waren het Amerikaanse beleid en de strijd tegen het communisme in eigen land te ondersteunen, lijkt langzaam te worden uitgehold nu andere zorgen de agenda van de kiezers zijn gaan domineren.

Dit zal geleidelijk de politieke banden tussen Amerika en de andere industriële democratieën gaan bepalen, een ontwikkeling die wordt versterkt door de verdwijning van de generatie van politieke leiders die door de oorlog zijn gevormd.

Wie onlangs heeft geluisterd naar wat premier Kiichi Miyazama of bondskanselier Kohl over Amerika te zeggen hadden, moet zijn opgevallen dat beiden met kennelijke eerlijkheid reppen van de "gulheid' van Amerika bij de wederopbouw van hun landen. Beiden hebben de oorlog en de Amerikaanse bezetting meegemaakt. Ze hebben gezien hoe GI's blikken vlees en ander voedsel uitdeelden. Ze herinnerden zich persoonlijk de doelbewuste opening van de Amerikaanse markt voor Duitse en Japanse industrieprodukten als onderdeel van de opbouw van hun door de oorlog verwoeste economieën.

Voor Miyazama, Kohl en anderen van hun generatie staat een Amerikaanse militaire aanwezigheid gelijk aan stabiliteit en welvaart in hun regio. Duitse en Japanse politici die ouder zijn dan zestig zijn voorzichtig het in het openbaar te zeggen, maar velen van hen achten die Amerikaanse aanwezigheid van nut bij het indammen van de militaristische invloeden die hun landen in de oorlog hebben geruïneerd.

Japan, zo haast Miyazawa zich bezoekers te vertellen, zal nooit meer een militaire mogendheid zijn, zal nooit in dezelfde fouten vervallen. Door militair in Azië aanwezig te blijven, zo suggereert hij, worden de buren van Japan gerustgesteld.

Duitsers van een bepaalde leeftijd schilderen de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Europa eveneens af als een gegeven dat in hoge mate kalmerend werkt op de historische rivaliteiten van dit werelddeel. Zolang de Amerikanen in de buurt zijn, hoeven de buren van Duitsland niet bang te zijn dat de Duitsers in plaats van Mercedessen kanonnen maken.

In München onderschreven Amerikaanse en Europese defensie-specialisten onlangs deze opvatting van de Amerikaanse troepen als een veiligheidsscherm dat de Europeanen en Aziaten niet tegen de Russen maar tegen zichzelf beschermt. Ze voelden zich in in het nauw gedreven bij de vraag hoe regeringen dat duidelijk zouden moeten maken aan de jonge generaties Japanners, Duitsers en Amerikanen, die is geleerd dat de voormalige As-bondgenoten door een halve eeuw van democratie en vrije-markt-economie in stabiele, niet-oorlogszuchtige samenlevingen zijn veranderd. Dat was de basis van de enthousiaste steun van de regering-Bush voor de Duitse eenwording. Jongere politici brengen weinig enthousiasme op voor het thema van het deugdzame Amerika dat het potentieel boosaardige Duitsland of Japan tegen zichzelf beschermt.

Ichiro Ozawa (50), glimlacht breed als ik hem vraag naar de verschillen in de manier waarop zijn generatie en die van de 71-jarige Miyazawa aankijkt tegen de Japans-Amerikaanse betrekkingen. Ozawa, voormalig secretaris-generaal van de regerende Liberaal-Democratische Partij (LDP), wordt algemeen gezien als een toekomstige premier, die de manier waarop in Japan leiding wordt gegeven aanzienlijk zal veranderen.

Hij speelde een sleutelrol toen het erom ging, het Japanse parlement ertoe te brengen in te stemmen met het deelnemen van Japanse troepen aan VN-operaties. Hij heeft belastingmaatregelen voorgesteld ter financiering van de Japanse bijdrage aan de Golfoorlog - dertien miljard dollar - opdat “de bevolking de gevolgen van de Japanse betrokkenheid aan den lijve voelt”. Hij vindt het absoluut onnodig de Amerikaanse bezoeker te verzekeren dat Japan nooit naar het militarisme terugkeert, want dat beschouwt hij als iets vanzelfsprekends.

De oudere generatie, zegt hij, bestaat uit mensen “die hebben gemeend dat de manier waarop het Japans-Amnerikaanse beleid zich heeft ontwikkeld in essentie goed was en zo door zal gaan. Japan is zo ver gekomen zonder dat het de kosten van zijn veiligheid hoefde te dragen. Zelfs een discussie over dat thema was taboe. De grondgedachte was dat we uitsluitend economische doeleinden moesten nastreven en dat de Amerikanen een grote broer waren en zouden blijven.”

Ozawa's generatie ziet de relatie anders. “Wij menen dat de zaken veranderen. We zullen veel energie moeten steken in het overnemen - binnen een samenwerkingsverband - van dat deel van de lasten die altijd ons deel zijn geweest. De rol van Amerika zal niet dezelfde blijven en die van Japan evenmin. We moeten veranderen opdat de relatie dezelfde kan blijven.”

© The Washington Post/ NRC Handelsblad