Wereldbank wil vorming milieufonds arme landen

WASHINGTON, 29 APRIL. De financiering van milieuprogramma's in ontwikkelingslanden heeft iets meer gestalte gekregen na een ministersbijeenkomst van de Wereldbank in Washington. Vooruitlopend op de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED), die in juni in Rio de Janeiro wordt gehouden, is gisteren opgeroepen om meer hulpgeld beschikbaar te stellen voor milieuprogramma's in ontwikkelingslanden.

Bedragen zijn evenwel niet vastgelegd en de financiële bereidheid van de industrielanden blijft ver achter bij de wensen van ontwikkelingslanden.

Wel begint zich overeenstemming af te tekenen dat er geen nieuw, apart milieufonds moet komen, zoals een aantal ontwikkelingslanden wenste, maar dat ecologische programma's worden ondergebracht in bestaande internationale organisaties. De afdeling van de Wereldbank voor de armste landen, IDA, en de Global Environment Facility (GEF) van de Wereldbank en de VN zullen naar verwachting daarvoor worden opgetuigd. Ook hierover is nog geen overeenstemming bereikt.

Bij IDA, dat iedere drie jaar gefinancierd wordt met hulpgeld van de industrielanden, gaat het om de volgende aanvulling van de middelen. Voor het lopende IDA-programma is 13 miljard dollar beschikbaar en gisteren is afgesproken dat voor het nieuwe drie-jarige programma “een bij voorkeur substantieel hoger bedrag” beschikbaar komt. Daarboven komt een extra bedrag voor IDA ten behoeve van milieuprogramma's in de armste landen.

De Global Environment Facility bestaat nu uit een proefprogramma van één miljard dollar en afgesproken is om dit bedrag met “nieuw en extra geld” aan te vullen. De Nederlandse minister van ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, heeft gisteren voorsteld voor GEF een bedrag van “ten minste de zelfde orde van grootte als voor IDA” beschikbaar te stellen. Desgevraagd zei hij een bedrag van 15 miljard dollar voor drie jaar in gedachten te hebben.

“Dat is redelijk in verband met het evenwicht tussen geld voor ontwikkeling en voor milieu” zei Pronk. “Minder kan eigenlijk niet”, meende hij. Als dit bedrag op de UNCED in Rio toegezegd zou worden, zullen de ontwikkelingslanden die tot nu toe hogere bedragen hebben genoemd, tevreden zijn, aldus Pronk, maar hij erkende dat bij de overige donorlanden weinig animo voor zijn suggestie bestaat.

Volgens het World development report van de Wereldbank, dat binnenkort uitkomt, zal tegen het einde van de jaren negentig jaarlijks een bedrag van 75 tot 100 miljard dollar nodig zijn voor milieu-uitgaven in de ontwikkelingslanden.

De ontwikkelingslanden zijn van mening dat “de eerste verantwoordelijkheid voor milieuvervuiling bij de geïndustrialiseerde landen ligt die derhalve het grootste deel van de kosten moeten dragen”. Maar Lewis Preston, de nieuwe president van de Wereldbank, zei dat het tijd was om te stoppen met ruzie over de vraag wiens schuld het is en wie moet betalen. Ook hij zei dat de ontwikkelingslanden niet op eigen kracht de milieudoelstellingen kunnen halen en dat de internationale gemeenschap meer geld beschikbaar moet stellen voor steun aan ecologisch gezonde ontwikkelingsprogramma's in de arme landen.

Van zijn kant waarschuwde Alejandro Foxley, de Chileense minister van financiën die optrad als woordvoerder van de ontwikkelingslanden bij de bijeenkomst van de Wereldbank, voor het gebruik van milieunormen door industrielanden om produkten uit ontwikkelingslanden buiten de grenzen te houden. Ontwikkelingslanden hebben volgens hem tijd nodig om zich aan strengere milieuregels aan te passen en hij pleitte voor uitzonderingsregels, waardoor ontwikkelingslanden in staat gesteld worden om schoner te produceren. “Het is niet goed als industrielanden strenge milieunormen vaststellen en die opleggen aan ontwikkelingslanden. Dat leidt slechts tot handelsbescherming onder het mom van milieubescherming”, zei Foxley.

Ontwikkelingslanden doen er volgens minister Pronk onverstandig aan als ze trachten concurrentievoordelen te bereiken door de kosten van milieuvervuiling op hun eigen bevolking af te wentelen. Ze moeten beseffen dat ze zelf ook de milieukosten dragen. Pronk sprak zich uit voor handelsliberalisatie, maar tegen onvoorwaardelijk open grenzen, als dat zou leiden tot de export van vervuilende industrieën naar ontwikkelingslanden.