Volkslied

Morgen en volgende week zullen we het weer vele malen horen: ons eerbiedwaardige, historische volkslied, het Wilhelmus.

Maar hoe is het er eigenlijk mee gesteld? Toegegeven: niemand kent alle vijftien coupletten, maar het eerste en zesde waren gemeengoed. Ik ga eens bij mezelf te rade, ken ik de woorden nog? Ja gelukkig, ik kom er uit. Maar mijn twintigjarige zoon blijft na de eerste regel al steken. Ik ondervraag hem over de "Coninck van Hispaengien'. De Spaanse overheersing zegt hem nog wel iets, maar hoe lang die duurde en hoe de koning heette, nee...

Wie geen zoon of dochter in die leeftijd heeft kon dezelfde gebrekkige kennis van de tekst constateren bij onze Olympische held Bart Veldkamp. Miljoenen Nederlanders, opgelucht dat de schaatseer gered was, keken verlekkerd via de tv toe hoe hij de gouden medaille in ontvangst nam. Toen het Wilhelmus weerklonk wilde Bart, gesteund door het Hollandse publiek, enthousiast meezingen. Maar al gauw moest hij er met een groot vraagteken in de ogen het zwijgen toe doen. Nee, de jeugd kent ons volkslied niet meer en deze vaststelling kun je gerust generaliseren. Een recent Nipo-onderzoek, dat alle leeftijden omvatte, bevestigt mijn bange vermoeden: 41 procent van de bevolking kan het eerste couplet meezingen; 42 procent heeft er enige notie van en 17 procent kent het niet.

Waar zijn de tijden en plaatsen dat het Wilhelmus, liefst met "een brok in de keel' gezongen werd? Overal in Nederland vlak na de oorlog natuurlijk, maar dat is al lang geleden. Tegenwoordig hebben we in het buitenland nog de meeste kans ons volkslied te horen zingen zoals het behoort. Hoe verder weg men zich bevindt, hoe meer de heimwee schrijnt en de vaderlandsliefde opbloeit. Eén keer per jaar klinkt het lied in een ver land op de traditionele ontvangst voor de Nederlandse kolonie, een feest waar de buitenlandse Nederlanders vaak maanden tevoren al naar uitkijken. Ook hier leggen bezuinigingsmaatregelen beperkingen op, maar tot nu toe is deze voor hen zo belangrijke manifestatie gehandhaafd gebleven. En dan is er nog een gelegenheid wanneer Hare Majesteit een staatsbezoek aflegt en de Nederlandse kolonie aan haar wordt voorgesteld. Menig emigrant in Nieuw Zeeland zal onlangs met een brok in de keel of een weggepinkte traan zijn stem verheven hebben.

De vraag is dus of we het nog wel belangrijk vinden dat de Nederlander zijn volkslied kent. In het positieve geval is er een gemakkelijke oplossing: het lied zou op de scholen ingestudeerd kunnen worden. Om het als dagopening met de hand op het hart te laten zingen lijkt me niet zo'n goed idee voor de Nederlandse jeugd, inclusief onze nieuwe landgenootjes. Maar wanneer de leerlingen onhandelbaar zijn en de onderwijzer geen raad meer met ze weet, zou dan een zangles, of in modernere termen, een cultuuropdracht niet effectief kunnen zijn?

Een dagsluiting lijkt me haalbaarder. Via de tv, met de afgedrukte tekst erbij - en de driekleur mag daar best bij wapperen. De kijker, vermoeid van de dag maar nog niet van het kijken, kan rustig in zijn stoel blijven zitten. Alle vijftien coupletten zullen we hem besparen; we zouden kunnen beginnen met het eerste en misschien op den duur het zesde erna.

Maar mocht het Nederlandse volk niet meer in zijn volkslied geïnteresseerd zijn, mocht een collectieve opvoeding uit den boze zijn, dan blijft er maar één alternatief over. We bergen het Wilhelmus, het lied dat getuigt van vroomheid, doorzettingsvermogen, opofferingsgezindheid, vaderlandsliefde en ga zo maar door, op in de archieven en vervangen het door een ander.

Hup, Holland hup, laat de leeuw niet in zijn hempie staan.