"Verdachte heeft misschien te veel rechten'; Uitvloeiselen van het "juridisch activisme' van Hoge Raad groot

Vanmiddag nam prof.mr. J Remmelink afscheid als procureur-generaal bij de Hoge Raad. Over hem is wel gezegd dat hij het monopolie had op het Nederlandse strafrecht: hij is tevens bewerker van twee invloedrijke strafrechthandboeken (Noyon-Langemeijer en Hazewinkel-Suringa) en hoofredacteur van De Nederlandse Jurisprudentie. Deze laatste functie legt hij nu ook neer.

DEN HAAG, 29 APRIL. “Ik ben geen levensgenieter, dus denk niet dat ik mij nu ga terugtrekken in mijn knollentuin.” Mr. J. Remmelink, tot vrijdag procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, nam vandaag formeel afscheid tijdens een buitengewone zitting van dit hoogste rechtscollege van Nederland. Tijdens zijn afscheidsrede vanmiddag over de spanningen tussen recht en strafwet gaf Remmelink zelf een illustratie van de niet te onderschatten invloed die kan uitgaan van de adviezen (“conclusies”) van de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie bij de Hoge Raad. Zo werd in 1968 mede op advies van Remmelink de strafbaarstelling van godslastering opgeheven door de vrijspraak van Gerard Reve, die in Nader tot U het opperwezen omschreven had als een ezel met wie hij de liefde bedreef. Kern van het betoog van Remmelink (zelf overtuigd Lutheraan) toen was dat er alleen sprake kan zijn van “smalende godslastering” als bewezen is dat de verdachte de bedoeling had te smalen. Maar Reve hield volgens Remmelink vol dat “hij het echt en bovendien goed meende met Onze Lieve Heer”. Andere belangrijke uitvloeiselen van het “juridisch activisme” van de Hoge Raad, zoals Remmelink het noemde, zijn de opheffing van het verbod op abortus en op pornografie, de totstandkoming van de Leegstandwet, en recent de regeling van de euthanasiekwestie. Remmelink was zelf voorzitter van de commissie die in opdracht van de regering de praktijk onderzocht van het medisch handelen rond het levenseinde. Hij noemde vanmiddag de euthanasieregeling van het huidige kabinet, die zwaar leunt op de jurisprudentie van de Hoge Raad, “nog niet zo gek”.

Remmelink, die deze week zeventig jaar werd, kwam in 1968 als advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Daarvoor was hij hoogleraar strafrecht in Groningen en officier van justitie bij de rechtbank in Dordrecht. Toen hij viereneenhalf jaar geleden procureur-generaal werd, bleef hij doorgaan met het schrijven van conclusies, hoewel dat in zijn functie eigenlijk niet verwacht wordt. “Ik vond het veel te leuk werk”, zegt hij ter toelichting. Zijn kabinetschef becijfert dat Remmelink in zijn loopbaan bij de Hoge Raad zeker 7.500 tot 8.000 van deze adviezen (“Eigenlijk een soort wetenschappelijke opstelletjes” heeft Remmelink ze zelf wel eens genoemd) aan de Hoge Raad voorgelegd moet hebben. Een conclusie die hem in het bijzonder is bijgebleven betrof een van de processen tegen de oorlogsmisdadiger Pieter Menten. Remmelink: “Nadat de Hoge Raad eerder een arrest van het Amsterdamse Hof vernietigd had, kwam de zaak-Menten terecht in Rotterdam. Daar beweerde hij dat hij krankzinnig was. De rechter moest volgens de toen geldende wet een zaak schorsen als een verdachte krankzinnig geworden was. En inderdaad verklaarde de Rotterdamse rechtbank het OM niet-ontvankelijk. Ik weet nog dat ik gebeld werd door de griffier in Rotterdam, die ik kende. Hij zei: "Professor, de zaak-Menten kunt u wel op de klomp schrijven want hij is krankzinnig volgens de rechtbank hier en hij zal wel zorgen dat hij dat voorlopig blijft ook.' Groot tumult. Ik heb die zaak van onder de heipalen bekeken. Daarbij kreeg ik toen nog steun van de toenmalig officier in die zaak. Dat was niemand minder dan Meijers (nu advocaat-generaal bij de Hoge Raad, red.), dus dat was pech voor Menten. Ik heb destijds het begrip "krankzinnig' zo gedefinieerd dat het ging om een verregaande mate van krankzinnigheid die met name betrekking had op de proces-attitude. Daaruit moest blijken dat de verdachte niet bij machte was te begrijpen wat hij eigenlijk in die rechtszaal deed. De Hoge Raad heeft dat aanvaard en de zaak werd weer gecasseerd. Naderhand bleek natuurlijk dat Menten inderdaad zijn zaak heel goed kon verdedigen, zo gek was hij nou ook weer niet.”

In uw functie van procureur-generaal is het ook uw taak toe te zien op een correcte taakvervulling van rechters. Hoe gaat dat in zijn werk?

“Als PG ben je inpecteur-generaal van de zittende magistratuur, maar dat is een verschrikkelijk overdreven uitdrukking. Als er echt sprake is van misdrijven gepleegd door een rechter, moet de PG de zaak aanbrengen bij de Hoge Raad. Dan kan het ontslag van de man gevorderd worden, maar dat gebeurt in de praktijk eigenlijk nooit. Het komt best voor dat een rechter een glas teveel op heeft of dat een kinderrechter aan kinderen zit. Maar meestal vraagt men dan zelf ontslag aan en doe ik verder niks. Overigens: als de betreffende rechter echt een rotkerel zou zijn - dat is nog nooit voorgekomen, maar we zijn allemaal mensen dus het kan gebeuren - dan zou ik aan de minister vragen het gevraagde ontslag voorlopig aan te houden, want dan zou ik als tuchtmaatregel willen dat hij door de Hoge Raad ontslagen wordt. Want anders zou je de hele tuchtmaatregel omzeilen.

“Maar meestal speelt de factor zieligheid een veel grotere rol. De kinderrechter bijvoorbeeld die aan zijn pupillen had gezeten, deugde natuurlijk niet, maar aan de andere kant was het toch een sneu geval. De man had zich zo ongelooflijk voor de mensen ingespannen. En laatst hadden we een kantonrechter, die verder goed aangeschreven stond en zijn werk goed deed. Maar ja, hij laat zich een keer gaan en smakt dan met ongelooflijk veel drank op van een dijk af. Dan zeg je: laat maar. Ik vind het goed dat die man zelf ontslag vraagt.

“Voor de lichtere klachten over een persoonlijk niet helemaal correcte bejegening hebben we sinds tien jaar de speciale ombudskamer. We krijgen gemiddeld negentig van zulke klachten per jaar. Daarvan wordt de overgrote meerderheid terzijde gelegd omdat men te laat is of klaagt over de beslissing zelf, en daarvoor moet je in hoger beroep gaan. Uiteindelijk blijft er een zeer kleine categorie zaken over die aangebracht wordt bij de Hoge Raad. Die kan stellen dat de klacht terecht is voorgesteld. Verdere sancties zijn er niet aan verbonden. Maar rechters vinden het wel uitermate vervelend als dat gebeurt.”

Sinds enige jaren duikt telkens de discussie op over vormfouten, over vrijlating van verdachten omdat er geen cellen zijn. In de Tweede Kamer trekt de CDA-fractie beslissingen van de vergadering van procureurs-generaal in twijfel. Wat betekent dat alles voor het gezag van de magistratuur?

“Het kan zijn dat de positie van de magistratuur onder druk staat. Maar ik geloof in de eerste plaats dat een heleboel zaken wel goed gaan. Dat er fouten worden gemaakt valt uiteraard te betreuren. Anderzijds vind ik dat ook een verdachte door het recht beschermd dient te worden. Hoewel we wat betreft de rechten van de verdachte misschien te ver zijn doorgeschoten. Vroeger hadden we bijvoorbeeld niet een bepaling dat het OM niet-ontvankelijk kon worden verklaard omdat het bewijs onrechtmatig verkregen was. Iemand als Enschede (oud-lid van de Hoge Raad, red.) was daar nooit een groot voorstander van. Hij vond dat iemand veroordeeld moest kunnen worden ook al was het bewijs onrechtmatig verkregen. Dan moest de opsporingsambtenaar die dat bewijs geleverd had wel op zijn donder hebben, maar het bewijsmateriaal moest worden gebruikt. Onder invloed van de Amerikaanse jurisprudentie heeft men op zeker moment in Nederland, en überhaupt in Europa, die leer van het onrechtmatig verkregen bewijs aanvaard.”

De psychologen Crombag, Van Koppen en Wagenaar hebben onlangs in een studie stevige kanttekeningen geplaatst bij de manier waarop rechters omgaan met de bewijsvoering. Zelf heeft u de bewijsvoering op de zitting niet meer dan een verificatievergadering genoemd.

“Ik heb de indruk dat die psychologen een geweldige nadruk leggen op de logica. Zij verliezen uit het oog dat wij in de context van het recht wettige bewijsmiddelen moeten hebben en verder met waarschijnlijkheidsredeneringen werken. Ik vraag mij af of deze drie psychologen zich wel voldoende realiseren dat je nu eenmaal met rechtsbeslissingen te maken hebt en niet met bewijzen uit de wiskunde.”

Een van de kwesties die Crombag, Van Koppen en Wagenaar aansnijden is de relatieve waarde van een bekentenis van een verdachte. Nu werd onlangs bekend dat mr. Ch. Moons, oud-president van de Hoge Raad en voorzitter van de adviescommissie over de herziening van het wetboek van strafvordering, de bekentenis van de verdachte als voldoende bewijs wil accepteren. Op die manier zou de werklast van de rechterlijke macht beduidend worden verminderd.

“Ik zou echt willen vasthouden aan de bepalingen in Nederland waar je om tot veroordeling te komen behalve de bekentenis nog een ander bewijs nodig hebt. Mensen moeten niet alleen op hun bekentenis worden veroordeeld. Er kunnen allerlei omstandigheden zijn om de schuld voor een bepaald misdrijf op zich te nemen. Maar Moons is een buitengewoon intelligente en objectieve man van wie ik me nauwelijks kan voorstellen dat hij wil dat mensen louter op grond van bekentenissen worden veroordeeld. Zo'n voorstel zou weer een voorbeeld zijn van de Amerikanisering van de Europese rechtspraak. Maar ik zou alles wat uit Amerika komt met grote nuchterheid willen bekijken. Een beetje zoals die Groningse boer die zijn naar Canada geëmigreerde broer na twintig jaar terugziet. Die schept op over de omvang van zijn ranch: “Laatst probeerde ik nog met de auto over mijn land te rijden maar dat is me niet gelukt in een dag.” Waarop zijn in Groningen achtergebleven broer antwoordt: “Ja, zo'n auto heb ik ook ooit gehad.”