Steeds meer mensen vragen steeds meer van de wereld

De wereldbevolking groeit nog steeds. In 2050 worden zo'n tien miljard aardbewoners verwacht. Steeds meer en gemiddeld steeds armere mensen maken aanspraak op dezelfde beschikbare grondstoffen. En samen dreigen zij de aarde steeds sterker te vervuilen. Hoewel de groei van de bevolking wordt beschouwd als een bepalende factor bij het bereiken van "duurzame ontwikkeling' is het de vraag welke plaats de aanstaande UNCED-conferentie ervoor zal inruimen.

Sinds het begin van de jaartelling is de wereldbevolking steeds sneller gegroeid. Het aantal van 300 miljoen aardbewoners tijdens het jaar 0 verdubbelde zich in vijftienhonderd jaar. De volgende verdubbeling duurde minder dan driehonderd jaar (tot ruim 1 miljard in 1800) en daarna niet langer dan 150 jaar, tot 2,5 miljard in 1950. Thans, na veertig jaar, zijn er 5,4 miljard mensen. Het huidige groeitempo van de mens lijkt weer af te nemen en ligt nu op ongeveer 1 miljard per elf jaar. In 2050 zal de aarde naar verwachting tien miljard mensen tellen.

De westerse, hoogontwikkelde samenlevingen groeien vrijwel niet sneller dan één procent. In de Derde wereld echter, waar nu reeds bijna driekwart van de wereldbevolking leeft, ligt de gemiddelde groei op meer dan twee procent, die vooral wordt veroorzaakt door het dalende sterftecijfer, of, in de woorden van een Unicef-medewerker, “niet zozeer omdat de mensheid is zich niet meer als konijnen voortplant, maar omdat ze niet meer als vliegen sterven”.

Die daling is deels het gevolg van succesvolle bestrijding van ziekten als mazelen en pokken, en andere medische verbeteringen, en in mindere mate van geboortenbeperking. En zelfs wanneer het geboortencijfer in de Derde wereld in de komende tien jaar drastisch zou dalen, dan nog staat alleen al het huidige aantal mensen dat in die tijd de vruchtbare leeftijd bereikt, garant voor een aanhoudende groei, zo is vastgesteld tijdens de voorbereiding van de komende VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED), die in juni wordt gehouden in Rio de Janeiro.

In een recent vraaggesprek met deze krant noemde Maurice Strong, secretaris-generaal van de UNCED, de huidige groei van de wereldbevolking “een kankergezwel dat knaagt aan het voortbestaan van de menselijk soort.” Steeds meer mensen doen immers een steeds groter beroep op dezelfde grondstoffen. De Derde wereld wordt hierdoor steeds armer, omdat hier de landbouw en de industrie over het algemeen nergens zijn meegegroeid met de bevolking. De arbeidsmarkt groeit minder snel dan de arbeidsbevolking, met werkloosheid en sociale onttakeling al gevolg. Dergelijke economieën, en een bevolking die van de hand in de tand leeft, bevorderen produktiewijzen die goedkoop en vies zijn en de beschikbare grondstoffen uitputten.

Krachtige besluiten om de groei van de wereldbevolking af te remmen zijn in Rio de Janeiro echter niet te verwachten. De ontwikkelingslanden (128 landen, verenigd in de zogenoemde "G-77') erkennen weliswaar dat er een probleem is, maar hebben - gesteund door het Vaticaan - tot nu toe pogingen weten af te slaan om het onderwerp op de vergaderagenda van Rio te krijgen. Immers, zo voert de G-77 aan, niet zozeer de groei van de populatie is alarmerend, als wel de overconsumptie in de westerse landen en de invloed die van die levensstijl uitgaat op de arme landen. Zij beroepen zich onder meer op een onderzoek van de VN-landbouworganisatie FAO uit 1984, dat heeft aangetoond dat de aarde voldoende ruimte en "draagkracht' heeft om 25 miljard mensen naast elkaar te laten leven. Niet hoevéél, maar maar hoé die mensen leven is het probleem.

In de westerse industrielanden leeft nu een kwart van de wereldbevolking, dat grofweg driekwart van de hulpbronnen (energie, metalen, landbouwgewassen, etc.) voor zich opeist. De aarde zou onleefbaar worden wanneer het arme driekwart op aarde hetzelfde levenspeil zou opeisen. Maar wie zou iemand, zeg, in China, kunnen ontzeggen te verlangen naar een ijskast, een auto, een wasmachine, een droogtrommel, een vaatwasmachine, een videorecorder, en elke dag vlees?

Juist deze boodschap werkt als een rode lap op de Verenigde Staten. The American way of life mag op geen enkele wijze ter discussie staan, zo heeft president Bush zijn onderhandelingsdelegatie voor UNCED op het hart te gedrukt. Voor Amerika kan armoede maar op een manier bestreden worden en kan de welvaart maar op één manier eerlijker worden verdeeld: door economische groei. Dat deze groei de aarde nog verder uitput is voor de Amerikanen geen argument: groei kan duurzaam zijn, luidt het parool: wie hard werkt en graag wil kan een even prachtige natie opbouwen als de Verenigde Staten van Amerika.

Een compromis tussen "arm en rijk' werd moeizaam bevochten op de laatste voorbereidende conferentie voor Rio die begin april in New York werd afgesloten. "Bevolkingsgroei' figureert nu niet al te prominent in het ontwerp van het nog lang niet aanvaarde Handvest voor de Aarde (dat bovendien dreigt te worden afgezwakt tot "Verklaring van Rio de Janeiro voor Milieu en Ontwikkeling'). In plaats van te spreken over bevolkingsgroei heet het nu dat in de discussie over milieu en ontwikkeling "demografische factoren' zullen worden betrokken, terwijl het consumptiepatroon en het voortschrijdend gebruik van technologie in het Noorden niet buiten beschouwing mogen blijven. Maar concrete plannen ontbreken.

Ook de bestaande machtsverhoudingen in de wereld zullen in toenemende mate onder druk komen te staan. De groei speelt zich nu voor 95 procent af in ontwikkelingslanden en slechts voor vijf procent in ontwikkelde landen. In 1960 leefde 68 procent van de wereldbevolkig in arme landen, in 2025 zal dat volgens de prognoses omstreeks 85 procent zijn.

De bevolking in Afrika groeit op dit moment het snelst, met drie procent per jaar, ondanks bijvoorbeeld het stijgende aantal aids-doden. In Latijns Amerika groeit de bevolking jaarlijks met 1,9 procent, gevolgd door Zuidoost-Azië (1,8 procent). De bevolking in West-Europa groeit echter gemiddeld 0,2 procent. jaar. Omstreeks de eeuwwisseling zal de bevolking in de Derde wereld met meer dan 900 miljoen mensen zijn toegenomen. De industrielanden komen in die tijd op 56 miljoen mensen extra.

Dat de geboortencijfers in de Derde wereld niet gedaald zijn heeft te maken met de ongelijke verdeling van de welvaart. Hierdoor leven velen hier op of onder de armoedegrens en veel kinderen krijgen is een economische noodzaak. Ook religieuze en sociaal-culturele factoren spelen echter een rol, evenals analfabetisme, gebrek aan voorbehoedmiddelen en gebrek aan politieke wil om gezinsplanningsprojecten te ontwikkelen. En dat terwijl toenemende verstedelijking, de verwoesting van het milieu, dreigende voedselcrises en de grote kinder- en kraamvrouwensterfte in ontwikkelingslanden juist nopen tot een actieve bevolkingspolitiek, zeggen de experts. Een snelle bevolkingsgroei impliceert namelijk ook een toenemende vraag naar voorzieningen, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en werkgelegenheid. Maar veel landen kunnen niet aan die vraag voldoen.

Op dit moment is ruim veertig procent van de bevolking in de Derde Wereld jonger dan vijftien jaar. Het aantal arbeidskrachten in de ontwikkelingslanden zal naar verwachting groeien van 1,7 miljard nu tot ruim drie miljard omstreeks het jaar 2025. Om deze mensen aan werk te helpen moeten jaarlijks ruim 38 miljoen banen geschapen worden. Maar vraag en aanbod zijn niet op elkaar afgestemd: de werkloosheid zal toenemen en parallel daaraan de armoede, vooral ook in de groeiende steden.

In veertig jaar tijd is de stedelijke bevolking in de Derde wereld verdriedubbeld, aldus het rapport Cities and the population issue van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO). Woonden in 1950 nog ruim 700 miljoen mensen in de steden, nu zijn dat er 2.390 miljoen.

Statistieken wijzen uit dat het leven in de stad zeker voordelen heeft, omdat de overheidsuitgaven voor bijvoorbeeld gezondheidszorg en onderwijs naar verhouding hoger liggen. Ook de inkomens zijn er vaak hoger, maar voor een inkomen heb je werk nodig - en juist dat is er onvoldoende.

Het armoedeprobleem verplaatst zich zodoende van het platteland naar de steden die de motor van de nationale economie zouden moeten vormen maar die, omdat ze niet berekend zijn op de toenemende bevolkingsaanwas slecht functioneren en de economische groei juist afremmen.

Het Westen wijst niet zelden de bestraffende vinger naar de Derde wereld als het gaat om de vraag op welke manier de dreigende vernietiging van het milieu moet worden tegengegaan. Als dé grote boosdoener wordt de voortschrijdende bevolkingstoename beschouwd. Ten onrechte, aldus de Indiase econome Vandana Shiva: de bevolkingsgroei is niet de oorzaak van het probleem, maar een gevolg, en wel door de ongelijke verdeling van de welvaart. Zij wijst er voorts op dat de arme bevolking in de Derde wereld op dit ogenblik relatief en absoluut veel minder schadelijke produkten gebruikt zoals ijskasten en auto's. Ook is het energieverbruik er vele malen lager dan in de geïndustrialiseerde wereld: daar gebruikt een kwart van de wereldbevolking 75 procent van alle energie.

Ook de recente studie "Bevolking en milieu' van de stichting Wereld en Bevolking wijst hierop, maar en maakt ook duidelijk dat het aandeel van de ontwikkelingslanden in de milieuproblematiek de komende decennia snel zal toenemen.

Neem de uitstoot van CO2. Volgens de genoemde studie is die, mede als gevolg van de ontbossing, in het zuiden tussen 1950 en 1985 verdrievoudigd. Van de totale uitstoot van CO2 komt op dit moment dertig procent voor rekening van de ontwikkelingslanden. Wanneer de sociaal-economische ontwikkeling voortschrijdt en de bevolkingsgroei blijft toenenemen, zal dat aandeel in het jaar 2025 echter 64 procent bedragen. Met de aanpak van het CO2 probleem in de Westerse landen, vooral door middel van energiebesparing, zou ook een beleid ontwikkeld moeten worden om het stijgend energieverbruik in de Derde wereld beheersbaar te maken. Bijvoorbeeld door aan de arme landen moderne westerse technologie beschikbaar te stellen.

Met het uitvoeren van gezinsplanningsprojecten die zijn gekoppeld aan het opheffen van de achterstand waarin met name meisjes en vrouwen in de ontwikkelingslanden zich bevinden. Die kan worden opgeheven door hen onderwijs te laten volgen en uitzicht te geven op werk en inkomen. Door vrouwen zelf te laten bepalen hoeveel kinderen zij willen en wanneer.

Studies hebben uitgewezen dat een hoog onderwijsniveau van grote invloed is op het vruchtbaarheidscijfer. Zo krijgen vrouwen in Zimbabwe die nimmer een schoolbank hebben gezien gemiddeld zeven kinderen, terwijl vrouwen die op de middelbare school of nog hoger hebben gezeten minder dan vier kinderen baren. In Thailand, waar ruim 90 procent van de vrouwen kan lezen en schrijven, bedraagt de jaarlijkse bevolkingsgroei 1,4 procent, tegen 2,9 procent in Pakistan waar slechts 20 procent van de vrouwen geletterd is.

Een van de voorwaarden voor het slagen van gezinsplanningsprojecten is actieve bemoeienis van de kant van de overheid. In landen als Zimbabwe en Thailand wordt gezinsplanning krachtig door de overheid gesteund. Hetzelfde geldt voor Indonesië waar projecten wordt gekoppeld aan onderwijs en verbetering van de economische positie van vrouwen. Daarentegen is in landen als India, de Filippijnen en Marokko sprake van een toenemende onverschilligheid van de kant van de overheid met betrekking tot gezinsplanning. De ironie wil dat juist deze landen er twintig jaar geleden in slaagden hun bevolkingscijfers te doen dalen. In Latijns Amerika bijvoorbeeld doet 75 procent van de vrouwen niet aan gezinsplanning maar zou dat wel willen, als ze de middelen maar konden krijgen.

Wanneer gezinsplanning en de daaraan gekoppelde gezondheidsvoorzieningen voor alle vrouwen toegankelijk worden gemaakt, zal volgens de WHO het sterftecijfer onder zwangere vrouwen afnemen. Nu sterven jaarlijks een half miljoen vrouwen tijdens de zwangerschap of in het kraambed. En nog eens 200.000 sterven door slecht uitgevoerde abortussen op een totaal van zo'n zestig miljoen abortussen per jaar als gevolg van ongewenste zwangerschap.

Het zijn natuurlijk niet alleen de vrouwen en meisjes om wie het draait als het gaat om gezinsplanning, stellen VN-bevolkinsexperts nadrukkelijk vast. Het is net zo zeer een zaak van mannen maar die worden pas sinds een aantal jaren actief betrokken bij onderwijs-en voorlichtingscampagnes.

Maar zover is het dus niet. “We stevenen af op een ramp”, zei de directeur van het Wereldbevolkingsfonds van de VN, dr.N. Sadik, enige tijd geleden. “En voor die ramp zijn we met elkaar verantwoordelijk. Noord en zuid. Beide moeten in de beklaagdenbank.”