Schade

We rijden naar Enschede, het regent vreselijk en Jakob vertelt hoe hij beroofd werd, of juist niet.

Hij loopt gauw, gauw even de stad in om een boodschapje te doen. Hij komt terug bij zijn wagen en ziet dat die is leeggehaald. Dus meteen maar door naar het politiebureau. Hij doet aangifte. Hij gaat naar huis. Hij doet de deur open en de gestolen spulletjes blijken in de gang te staan.

Let op: een paar opgeschoten jongens uit de buurt hebben zijn wagen herkend, half op de stoep en met een halfopenhangend portier. Ze wachten waar hij blijft en besluiten dan de dingen, die anders misschien gestolen zouden worden, mee te nemen en bij hem thuis af te geven.

“Nou”, zeg ik, “dat kun je toch uitleggen? Dat zullen ze bij de politie wel komisch vinden.”

Wel komisch? Maar de braakschade dan? Duidelijke sporen dat iemand met een schroevedraaier aan het portier heeft staan wrikken. Ja, dat had hij zelf gedaan. Zoiets moet er een beetje aannemelijk uitzien, niet waar? Mede met het oog op de verzekering natuurlijk.

“Aardige jongens”, herneem ik na een tijdje.

“Ik heb ze een geeltje gegeven”, zegt Jakob. “Ik háát ze.” Hij tuurt naar de regen en zijn gezicht klaart op. Er gaat iets vrolijks door hem heen. Ik vraag niets. Ik wacht af en ben al bijna net zo blij als hij.