Sanering bedrijfsterreinen kan staat miljoenen kosten

De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 24 april bepaald dat de overheid kosten van sanering van verontreinigde bedrijfsterreinen slechts in een zeer beperkt aantal gevallen op de bedrijven kan verhalen. Dat kan volgens onze hoogste rechter alleen als de verontreiniging is ontstaan na 1 januari 1975. Hiermee is het doek gevallen over de grootste verhaalsactie uit de geschiedenis van juridisch Nederland.

Ruim honderd procedures met een gevorderd bedrag van meer dan een half miljard gulden kunnen van de rol worden geschrapt. De overheid derft als gevolg hiervan vele tientallen miljoenen guldens. De Staat is echter een slechte verliezer en probeert zijn gelijk inmiddels via wetswijziging te verkrijgen.

Na de affaire-Lekkerkerk in 1980 werd bekend, dat in Nederland vele duizenden terreinen van bedrijven en overheden verontreinigd zijn met chemicaliën en metalen. In 1983 besloot de minister van VROM te proberen een deel van de kosten van de sanering van deze vervuilde terreinen te verhalen op de bedrijven op wier terrein de vervuiling zich bevond.

Op zich is het een goede gedachte om, wanneer onrechtmatig is gehandeld, een actie voor de burgerlijke rechter te beginnen. Het ministerie heeft daarbij echter de zaken ondoordacht aangepakt. Het had voor de hand gelegen dat de overheid haar verhaalsacties zou beperken tot notoire viezeriken. Derhalve tot bedrijven die ten tijde van de vervuiling, in een periode dat het milieubewustzijn in feite nog niet bestond, op voor die tijd zorgvuldige wijze chemicaliën in de grond lieten lopen.

In plaats daarvan is het ministerie echter, onder de bezielende maar ongenuanceerde leiding van de landsadvocaat, van leer getrokken tegen ook het bonafide bedrijfsleven, daarbij overigens over het hoofd ziend dat even zoveel lagere overheden hadden kunnen worden aangeklaagd. Dit heeft geleid tot meer dan hondervijftig procedures voor rechtbanken en gerechtshoven. De toch al overbelaste rechterlijke macht werd hiermee extra onder druk gezet.

Daarbij stond uiteindelijk de vraag centraal: tot hoe ver in het verleden kan terug worden gegaan bij het verhaal van deze kosten. Vanaf welke datum is het vervuilen van de bodem een onrechtmatige daad tegenover de overheid? Het is duidelijk dat er zich in het milieubewustzijn een ontwikkeling heeft voorgedaan en nog steeds voordoet. Vanaf een bepaald moment in het verleden had het voor de gemiddelde eigenaar van een bedrijfsterrein, particulier of overheid, duidelijk kunnen zijn dat men verontreiniging van de bodem met chemicaliën moest voorkomen.

Op 9 februari 1990 sprak de Hoge Raad zijn eerste arrest uit in zaken als deze. De Hoge Raad oordeelde dat kostenverhaal alleen mogelijk is als op het moment van verontreiniging voor het bedrijf voldoende duidelijk was dat de overheid zich met de zorg van de sanering van de bodem zou gaan bezighouden. Het arrest noemde echter geen concrete datum vanaf om het moment waarop dit voldoende duidelijk was te markeren. Dit heeft geleid tot een immense spraakverwarring tussen de diverse gerechten. De ene rechtbank vond dat dit moment al in 1954 was aangebroken. De andere hield het op 1980. Dat kon niet zo doorgaan.

In zijn thans verschenen arrest heeft de Hoge Raad op resolute wijze de knoop doorgehakt. De Hoge Raad heeft de datum gesteld op 1 januari 1975. Kosten van sanering van verontreiniging van bedrijfsterreinen die is ontstaan voor die datum, kan de Staat niet op de bedrijven verhalen.

Dit is een verheugende conclusie, omdat het niet aangaat bedrijven die handelden naar de stand van de kennis van destijds, op grond van de normen van nu te veroordelen. Aan de orde zijn bedragen die in een beduidend aantal gevallen voor de onderneming faillissement betekenen. In feite zegt de Hoge Raad dat de overheid zelf een behoorlijke maatstaf had moeten aanleggen alvorens deze gerechtelijke acties te starten. Van de overheid mag immers voldoende zorgvuldigheid op dit gebied worden verwacht.

Voor de Staat is het gevolg van deze slecht doordachte actie, dat hij vele tientallen miljoenen guldens derft aan belastinginkomsten. De bedrijven hebben immers gedurende de loop van de procedures, die nu geroyeerd zullen worden, voorzieningen op hun balans moeten treffen ter grootte van de claims, deze bedragen van hun winst kunnen aftrekken en derhalve in hun portemonnaie kunnen houden. Op deze wijze ontgaan de Staat grote sommen aan rente.

De Staat is, zoals gezegd, echter een slechte verliezer. Omdat hij, na het arrest van 1990, al zag aankomen dat het wel eens fout zou kunnen lopen met zijn verhaalsacties, heeft de minister van VROM een wetswijziging bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt. Deze beoogt de Wet Bodembescherming zodanig te wijzigen, dat de overheid kosten van bodemsanering op iedere eigenaar of veroorzaker kan verhalen, onafhankelijk van de vraag of hij nu rechtmatig of onrechtmatig gehandeld heeft. Bovendien bevat het wetsontwerp een bepaling waardoor een juridisch-technische consequentie van het recente arrest van de Hoge Raad zou worden teniet gedaan.

Dit is uiteraard in flagrante strijd met de rechtsbeginselen op grond waarvan de Hoge Raad zijn arrest heeft gewezen. Velen hebben zich daartegen al gekeerd. VNO en NCW hebben hun bezwaren daartegen enige weken geleden in een brief aan de Tweede Kamer doen blijken. Het is te verwachten dat de Tweede Kamer dit wetsontwerp de komende maanden zal behandelen. Aangenomen mag worden dat het parlement terdege kennis zal nemen van het arrest van de Hoge Raad, en dat het daaruit consequenties zal trekken. Dit zou moeten betekenen, dat het wetsontwerp sterk wordt gewijzigd.

Foto: Het afgesloten gebied van een inmiddels gesloten chemiefabriek in Friesland. (Foto Sake Elzinga)