Raad: inkomsteneis voor podiumkunsten is "onmogelijke eis'

AMSTERDAM, 29 APRIL. De Raad voor de Kunst heeft “bezorgd” gereageerd op het voorstel van minister d'Ancona (WVC) om de podiumkunsten te dwingen voortaan 20 procent van hun budgetten uit eigen inkomsten te halen. Voor de meeste gezelschappen is dat een onmogelijke eis, aldus een woordvoerder van de Raad. Zelf had het adviesorgaan voorgesteld om ervoor te zorgen, dat de eigen inkomsten in de loop van de komende vier jaar geleidelijk zouden stijgen. De Raad komt, nog voordat de Tweede Kamer in juni over het voorstel voor een nieuw Kunstenplan debatteert, met een reactie op de nu gepubliceerde plannen.

Het adviesbureau Berenschot stelt in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen een onderzoek in naar de mogelijkheid om de eigen inkomsten in de toneelsector te vergroten. “We hopen daarmee de buitenwereld duidelijk te maken hoe het in de praktijk in elkaar zit,” zegt VNT-directeur J. Jong. Het rapport verschijnt half mei.

Bij de grote toneelgezelschappen komt op dit moment 10,8 procent van het budget uit eigen inkomsten - voornamelijk recettes. Jong wijst erop dat men niet ongestraft de toegangsprijzen kan verhogen: “De schouwburgdirecteuren hebben in veel gevallen te maken met een opdracht van hun gemeentebestuur om de prijzen zo laag mogelijk te houden.” Bovendien gaat het grootste deel van de recettes niet naar het gezelschap, maar naar de schouwburg. Jong noemt het voorbeeld van de tien voorstellingen van Als wij doden ontwaken door Toneelgroep Amsterdam in de Amsterdamse Stadsschouwburg: de recette bedroeg ƒ 56.000, waarvan het gezelschap uiteindelijk ƒ 3800 incasseerde.

De VNT bepleit voorts toepassing van het lage BTW-tarief op de toegangskaarten voor de podiumkunsten, in plaats van het hoge dat nu geldt. De minister heeft al een soortgelijk voorstel voor de filmsector gedaan.

Het Nationale Ballet is “geschokt” door de kunstenplannen van het ministerie van WVC en van de gemeente Amsterdam. Als die doorgaan, dan betekent dat over de periode 1993-1996 een exploitatietekort van 10 miljoen gulden, zo vreest directeur Hendriks. Hij voorziet een verdubbeling van de toegangsprijzen, het schrappen van kortingen, het stoppen van optredens buiten Amsterdam, massale ontslagen en vercommercialisering van het repertoire.

Minister d'Ancona en de gemeente Amsterdam willen op de subsidie 1,1 miljoen gulden per jaar korten terwijl het voor de servicelasten van het Muziektheater een half miljoen per jaar moet gaan bijdragen en er sinds 1991 een structureel exploitatietekort van 1 miljoen gulden per jaar is ontstaan na eerdere bezuinigingsrondes van het rijk en de gemeente. De kortingen kunnen niet gecompenseerd worden door de verhoging van de eigen inkomsten die nu al 20 procent van het budget zijn.

Het Noord-Nederlands Orkest, het Gelders Orkest, het Brabants Orkest en het Limburgs Symphonie Orkest zijn blij dat de minister de adviezen van de Raad voor de Kunst (opheffing van Forum Philharmonisch en het Limburgs Symphonie Orkest) niet heeft overgenomen. “Ernstig teleurgesteld, gewoon verbijsterd” zijn de orkesten over de aantallen formatieplaatsen die “om artistiek/inhoudelijke redenen volstrekt onvoldoende” zijn voor de twee grote regionale orkesten die na fusies overblijven. Het budget dat de minister voorstelt is niet genoeg en er zijn volgens de orkesten “aperte onjuistheden” in haar berekeningen.

Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben, net als de drie noordelijke provincies, ernstige twijfels over de zin van het afsluiten van convenanten met minister d'Ancona. “De uitkomsten voor Gelderland staan in schril contrast met hetgeen met de minister besproken is op 1 april. De minister wekt ten onrechte de indruk dat er in deze zin bestuurlijke afspraken gemaakt zijn.” Gelderland wil half mei namens de negen niet-Randstedelijke provincies een reactie op het Kunstenplan in Den Haag aanbieden.