Pover kunstbeleid

"INVESTEREN in cultuur' heet de nota die minister d'Ancona maandag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Het is een misleidende titel, die de suggestie wekt dat de overheid pal staat voor de kunsten. De minister erkent dat het nodig is meer te investeren in de cultuur. Maar behalve de plannen om de achterstand in het conserveren van collecties in te lopen, wil de minister geen cent extra aan de kunsten uitgeven. Integendeel: net als voorgaande jaren is het percentage dat binnen de rijksbegroting aan de kunsten wordt uitgegeven gedaald. In het Kunstenplan staat bij tal van interessante plannen dat daarvoor de financiën ontbreken.

Het zijn de anderen die moeten "investeren' in cultuur. Het publiek moet duurdere toegangskaarten betalen, het ministerie van sociale zaken de lage salarissen van dansers aanvullen, het ministerie van VROM de bouwkunst bevorderen. En voor de inrichting van het Architectuurinstituut moet een sponsor bijspringen.

Al een jaar probeert het ministerie van financiën de subsidies - ook die voor kunst - terug te dringen. Vorig jaar verzette de minister zich daartegen, maar nu heeft ze die strijd van haar collega Kok verloren. Zo worden de subsidies voor de podiumkunsten met vijf procent verlaagd. De minister beveelt de kunstwereld aan maar eens volle zalen te trekken. Ze suggereert dat er voor al die gesubsidieerde kunsten te weinig belangstelling is. Een in haar opdracht uitgevoerd onderzoek toonde aan dat het publiek voor musea en podiumkunsten de afgelopen tien jaar juist sterk is gestegen. Uit een ander WVC-onderzoek bleek dat het niet de economische elite is die belangstelling heeft voor kunst maar een culturele elite. De conclusie was dat hogere toegangsprijzen leiden tot minder publiek en minder kassa-inkomsten. Dit is de minister nu kennelijk vergeten. De aan de gezelschappen opgelegde verplichting meer inkomsten te verwerven, meer publiek te trekken, is bovendien geen stimulans voor experiment en vernieuwing. Dit was toch een van de expliciete doelstellingen van het kunstbeleid?

In een discussienota over het kunstbeleid schreef minister d'Ancona dat het nodig kan zijn “dat de kunst de kans krijgt zich te bewijzen tegen de onverschilligheid (-) van het publiek in”. Het blijken nu loze woorden.

Wat er goed afkomt in het Kunstenplan zijn niet de kunsten, maar de instituties: het Theaterinstituut, Filmmuseum, Architectuurinstituut en verschillende culturele organisaties worden krachtig gesteund. De kunst moet beter aan de man worden gebracht, maar voor het scheppen van de kunst zelf is steeds minder beschikbaar. De bureaucratisering neemt toe, ook in de beleidsadvisering. De minister wilde die vereenvoudigen door de advisering over te laten aan enkele "Rijkskunstmeesters'. Nu stelt ze voor de Raad voor de Kunst, de Raad voor het Cultuurbehoud, de Mediaraad en de Raad voor bibliotheken en informatievoorziening samen te voegen tot een moloch: de Raad voor het Cultuurbeleid. Voor een dergelijke adviesraad wordt het nog moeilijker de verschillende kunstdisciplines in hun samenhang te beoordelen.

MINISTER d'Ancona heeft de afgelopen jaren gehamerd op de noodzaak van een groter en breder publiek. Dat is de enige constante in haar kunstbeleid. De kunst zelf dreigde ze steeds weer uit het oog te verliezen. Daarvan is deze onsamenhangende Cultuurnota opnieuw een treurig voorbeeld.