Minister Pronk bereid tot steun aan Oost-Europa

WASHINGTON, 29 APRIL. Minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking) is bereid Nederlands ontwikkelingsgeld beschikbaar te stellen voor hulp aan voormalige communistische landen.

Dat zei hij gisteren in Washington in een reactie op de suggestie van minister Van den Broek van buitenlandse zaken een kwart van het budget van Ontwikkelingssamenwerking dat direct ten goede komt aan arme landen, 1.2 miljard gulden, te bestemmen voor Oost Europa en de GOS-republieken.

In totaal geeft Nederland 6,3 miljard gulden uit aan ontwikkelingsamenwerking, maar een deel van het bedrag wordt in Nederland besteed aan apparaatskosten en opvang van asielzoekers.

Pronk herhaalde dat hij “graag iets wil doen” voor de Centraal-Aziatische en Trans-Kaukazische republieken van de voormalige Sovjet-Unie en voor Balkan-landen zoals Albanië, Bulgarije en Roemenië. De minister is in Washington voor een bijeenkomst van de Wereldbank.

Pronk ging niet rechtstreeks in op het voorstel van Van den Broek. “Het is een interessante suggestie voor het verkiezingsprogramma van het CDA”, aldus Pronk. Hij wil pas van een aanval van het CDA op zijn begroting spreken als de CDA-fractie in de Tweede Kamer met een dergelijk voorstel zou komen. “De Kamerfractie van het CDA is tot nu toe loyaal aan de afspraak van het regeerakkoord om geen geld van Ontwikkelingssamenwerking voor Oost-Europa te gebruiken”, zei hij.

De discussie gaat volgens Pronk over de vraag welke ex-communistische landen voor hulp in aanmerking komen. In het voormalige Sovjet-blok is volgens hem sprake van een “nieuwe Noord-Zuid” tegenstelling waarbij ten onrechte geen enkele belangstelling is voor de arme zuidelijke en zuidoostelijke staten. Hij zei er niets voor te voelen ontwikkelingsgeld te gebruiken voor steun aan de hervormingen in Rusland, de Oekraïne of de Baltische staten, zoals Van den Broek zou wensen. Bovendien moet Nederland volgens hem geen bilaterale hulpprogramma's opzetten omdat het over geen enkele deskundigheid in deze regio's beschikt. Het is beter te werken via hulpprogramma's die worden gecoördineerd door de Wereldbank, aldus Pronk.

In een toelichting op de stellingname van minister Van den Broek, eergisteren in Leeuwarden, zegt diens woordvoerder op buitenlandse zaken dat de minister hiermee een discussie wil ontketenen over de vraag of er niet veel meer flexibiliteit in ons hulpbeleid moet worden gebracht. Nederland hoort tot de vier donorlanden in de wereld die de hoogste bedragen voor hulp leveren, waarbij de norm van 0,7 procent van het BNP niet alleen ruimschoots wordt overschreden, maar Nederland ook nog bijna drie keer zoveel uitgeeft als het werkelijk gemiddelde van 0,35 procent van het BNP. De huidige definitie van hulp moet uit de taboesfeer: het "meer' van 0,23 procent zou aan Oost-Europa kunnen worden besteed, deels wellicht ook aan internationale milieuproblematiek en aan vluchtelingen.