Kamerleden somber over voortbestaan van kabinet

DEN HAAG, 29 APRIL. Haalt het kabinet Prinsjesdag? Temidden van toespraken, klanken van blazersensembles, mannen- en vrouwenkoren, muziekkorpsen en folkloristische dansgroepen die de opening van hun nieuwe Kamergebouw opluisteren, zijn de volksvertegenwoordigers van de twee coalitiepartijen vrijwel zonder uitzondering somber. Premier Lubbers en minister Kok - zelf ook urenlang op het feest aanwezig - hebben hun onenigheid over de uitleg van het sociaal-economisch beleid maandag weliswaar bijgelegd, maar de problemen van koopkrachtverlies voor de minima en denivellering zijn niet opgelost. En ze zullen tussen nu en de dag dat de begroting 1993 moet worden ingeleverd, 28 augustus, onophoudelijk punt van discussie blijven.

“Dat wordt een zomer met een voortdurend geëmmer over cijfers achter de komma”, voorziet een prominent CDA-Kamerlid. De meerderheid van de fractie ziet daar als een berg tegen op, aldus een partijgenoot. Aan de PvdA-kant is de stemming niet veel anders, zij het dat men zich daar niet beklaagt over gegoochel met koopkrachtplaatjes. Het vertrouwen in Lubbers en in CDA-fractieleider Brinkman heeft een knauw gekregen. “Je moet voortdurend op je tellen passen met Lubbers, als je je even omdraait, geeft hij een uitleg die je weer de gordijnen injaagt”, zegt een Kamerlid van de PvdA. Het CDA regeert met de PvdA, terwijl het zich naar de VVD profileert, zo wordt in PvdA-kring gezegd.

“We blijven met een raadsel zitten”, zegt het PvdA-Kamerlid W. van Gelder. “Wat wil het CDA? Maar ik heb het gevoel dat ze het kabinet nu niet laten vallen.” In kringen van de PvdA heeft het conflict dus een behoorlijk litteken opgeleverd. “Als het zo verder moet, heeft dit kabinet geen lang leven”, zo wordt de stemming gekenmerkt. Het vertrouwen dat CDA en PvdA bij het begin van de rit hadden, ebt weg. Vorig jaar zomer bleek het CDA nog wel toeschietelijk om “de scherpe puntjes” van het WAO-besluit af te slijpen, maar nu twijfelen de sociaal-democraten over de bedoelingen van het CDA.

PvdA-Kamerlid en defensiespecialist Vos zegt het zo: “Het gaat met het CDA ook slecht in de peilingen. Het wordt daarom tijd dat ook wij maar eens wat harder zeggen wat we willen en dat ieder voor zich tegenover de ander de vraag beantwoordt: welk belang hebben we bij deze coalitie. Wat willen we ermee? Een beetje wederzijdse dreiging mag best, maar we moeten er bij de PvdA wel van overtuigd zijn dat het CDA dit kabinet echt wil. Omgekeerd mogen ze dat dan van ons ook vragen, natuurlijk.”

Een ervaren waarnemer in de marge, D66-Eerste Kamerlid en hoogleraar staatsrecht prof. J.J. Vis, wijst er op dat uiteindelijk niet de ratio de doorslag geeft of een kabinet in stand blijft, maar de atmosfeer. “Ik heb alle crises sinds 1956 gevolgd en als ik zie wat er de afgelopen dagen is gebeurd, heb ik een zeer sterk déjà vu gevoel: de sfeer is kapot, dit loopt niet meer.” Volgens Vis kan deze crisis in principe wel worden gerepareerd en is premier Lubbers een ervaren schipperaar in de smalle marges. “Maar als ze hem niet meer vertrouwen kan hij doen wat hij wil, dan lukt het niet. Het is ook wel heel uitzonderlijk dat de leider van de coalitiepartner openlijk ingaat tegen de minister-president.”

“Als je negen kantjes nodig hebt om te zeggen dat je geen probleem hebt, is er natuurlijk wél een probleem”, aldus een wat ouder en meer ervaren CDA-Kamerlid. Hij is het dan ook van harte eens met de opvatting van VVD-leider Bolkestein, dat er een nieuw laagje behang is aangebracht, maar dat de scheur is gebleven. Aan PvdA-zijde: “We zouden echte partners moeten zijn, waar de ene keer de ene partij een punt scoort en de andere keer de andere partij. Dat kun je ook aan je kiezers uitleggen. Maar we kunnen met het CDA niet echt iets afspreken.”

Parlementsleden aan beide kanten zijn verbolgen over het feit dat in het Torentje van Lubbers enkele ministers de zaken regelen, zonder dat de fracties eraan te pas komen. Zij moeten in de krant lezen “dat men er uit is en de crisis is bezworen”. “De heren gooien alles maar op straat, alsof er geen parlement meer bestaat.” “Het Torentje moet worden opgeblazen”, constateert een meeluisterend christen-democratisch partijgenoot sinister: “Dat symbool van monisme moet weg.”

Het wederzijds vertrouwen mag dan geschokt zijn, een zekere moedeloosheid mag over de fraaie granieten vloeren van de nieuwe parlementaire tempel rollen, de grote vraag blijft: wannéér moet er worden gebroken? Een minderheid denkt dat het kabinet door de zomer komt en ook de meerderheid - die zo optimistisch niet is - realiseert zich dat, nu ook het CDA het wat slechter in de peilingen doet, de partners hun breekmoment heel zorgvuldig moeten kiezen.

“Wij konden er nu geen eind aan maken”, zegt een CDA-Kamerlid, “want dan hadden we tot verkiezingen eind september de kar alleen moeten trekken met een soort rompkabinet, dat niettemin vervelende maatregelen moest nemen. Iedereen, van links tot rechts, kon in zo'n situatie op ons schieten omdat het CDA verantwoordelijkheid voor het beleid draagt.” Ook Brinkman kan, volgens deze CDA-strateeg, het kabinet niet laten vallen, want dan stuurt hij in feite zijn eigen premier de laan uit. De conclusie: “Als het kabinet weg moet, dan moet dat eind augustus gebeuren, doordat het zelf niet uit het dekkingsplan voor de begroting komt. Dan zijn er eind oktober verkiezingen, waarin de PvdA zijn nummer over de minima kan maken en wij het thema van de lastenverlichting opspelen.”

Het kabinet Lubbers/Kok, zo denken sommigen, wordt bijeengehouden uit angst voor verkiezingen. Als de stembus in zicht komt, staan veel Kamerleden van de PvdA en ook, maar minder, van het CDA, voor enkele existentiële vragen. “Zit ik straks nog in de Kamer? Kan ik nog burgemeester worden, is er nog een functie in het bedrijfsleven of kan ik terug naar de ambtenarij?” Als de verhouding tussen de coalitiepartners eenmaal verziekt is, is de neiging tot het kiezen van een radicale oplossing groot, onder het motto: alles is beter dan doormodderen.