Het uniform

Joop Breedveld, boswachter in het Amsterdamse Bos

“Dit is een aardig vak. Het ene moment tik je iemand op de vingers, het andere moment leg je tien schoolkinderen uit dat een boom van hout is. Ik kende het bos al op m'n duimpje toen ik solliciteerde. Wij vervullen hier met z'n achten een gastheerrol voor de recreanten. Maar we hebben ook opsporingsbevoegdheid. Als de gasten zich niet aan onze huisregels houden, treden we verbaliserend op. Dat betekent niet dat we altijd maar gelijk met ons boekje staan te wapperen. We kunnen het vaak met een waarschuwing af. Het zijn de kleine verkeersovertredingen waartegen we optreden: met auto's of brommers op de voetpaden. Maar ook: loslopende honden of overtreding van de jacht- of visserijwet. In de periode dat er gehakt wordt komt hier ook wel eens iemand haardhout halen. We doen ook aan hulpverlening en aan voorlichting. Omdat we in uniform lopen, zijn we in het bos het aanspreekpunt. Dat uniform bestaat uit een groene broek met daarin een wapenstok, een groene blouson met het korpsembleem Rijkspolitie. De das draagt het jachtopzichterstersembleem en de groene hoed het gemeentewapen op een stukje otterbont. We hebben jachtgeweren tot onze beschikking, maar op wild wordt er alleen in heel uitzonderlijke gevallen geschoten. Dan moet er echt wel van overlast en schade sprake zijn. We hebben een EHBO-, een reanimatie-, een jachtopzichters- en een natuurgidsdiploma van de IVN. Alle acht kennen we het bos als onze broekzak. We hebben zo onze eigen namen om ieder plekje aan te duiden. Meestal verplaatsen we ons per fiets, maar in de winter rijden we met de auto en bij vorst op de schaats. Een belangrijk onderdeel van ons werk vormt de natuureducatie. We hebben hier zo'n honderd excursies per jaar. We gaan ook met dia's het land in. Vertellen over het unieke van het Amsterdamse Bos. Het maaiveld ligt 4,5 meter onder NAP, de waterpartijen zelfs 5,5 meter. Halverwege de dertiger jaren is het aangelegd door ondermeer werklozen. Dan is er een uitzonderlijke vogelpopulatie, die zich kennelijk niet laat verjagen door het nabijgelegen Schiphol. De grauwe kiekendief broedt hier onder andere, en de boomvalk. Er zijn konijnen en fazanten, de eekhoorntjes kan je uit de hand voeren. Van de planten noem ik de orchissen en de ronde zonnedauw, een klein vleesetend plantje. Jaarlijks bezoeken 4,5 miljoen mensen het bos. Je hebt hier vaste bezoekersgroepen, die elkaar niet in de weg staan: de trimmers, de hondenuitlaters, de joggers en de bezoekers van de sportaccommodaties. Gelukkig blijft de Amsterdamse criminaliteit ons hier bespaard. Men weet blijkbaar dat in het bos goed wordt gesurveilleerd.”