FRANCIS BACON 1909 - 1992; De mens als een bundel radeloze ledematen

In de tweede helft van deze eeuw is er geen kunstenaar geweest die de mens erbarmelijker heeft geschilderd dan Francis Bacon. Gisteren is hij tijdens een vakantie in Madrid, 82 jaar oud, aan een hartaanval overleden. Niemand heeft de "condition humaine' zo indringend als een nutteloze, trieste tijdspassering in verf weten uit te beelden.

De na-oorlogse mens is de geschonden mens van Bacon - ontdaan van illusies, verlaten door god en gericht op zijn eigen "ik'. Verworden tot een vleesklomp, leeft hij teruggeworpen op zichzelf. In dat isolement, onder het licht van een peertje, rest hem niets anders dan de observering van het eigen lijf.

De aanblik van dat lichaam is deerniswekkend. Op een tafel ligt een apathisch slachtoffer met verwondingen. Op een stoel krijst een wezen dat een vergeefs beroep doet op anderen. Ergens anders in een donkere kamer wringen zich lappen vlees in alle mogelijke bochten om ... ja, om wat eigenlijk. Waar dienen al die levenservaringen toe?

Met die vraag wist Bacon (1909) zijn toeschouwers op schokkende wijze te confronteren. Vanaf zijn eerste geruchtmakende expositie in 1945 tot de dag van vandaag is die publieke reactie onveranderd gebleven. Daarbij ging hij zichzelf niet uit de weg. Net zoals de schilder Egon Schiele laat hij genadeloze zelfportretten na, waarop een stuk aangeschoten wild ineenkrimpt of houvast zoekt. Zijn hoekige gezicht, vaak op drieluiken afgebeeld, toont veel verwantschap met een ruïne. Hij wilde, zoals blijkt uit een van de sporadische interviews, de toeschouwer in het zenuwgestel raken, zijn doeken moesten het verstand te boven gaan. Dat is hem gelukt.

In diezelfde interviews distantieerde Bacon zich van diepzinnige interpretaties. Hij werkte instinctmatig, zonder voorstudies. Het toeval speelde een overheersende rol. “Ik sta op, begin met schilderen en hoop dan dat er wat uitkomt. Meestal knoei ik net zolang totdat er wat gebeurt”. Op de vraag waarom er maar één persoon op zijn doeken voorkwam, volgde een nuchter antwoord: “Het is al moeilijk genoeg om één mens te schilderen, dus waarom zou ik er twee portretteren?”.

Zijn voorkeur voor lichamen moest worden herleid tot zijn liefde voor de vleeskleur. Bloederige accenten en vuurrode monden hielden geen verband met eigen emotionele ervaringen. Hij had eens een boek gezien met mooie illustraties van mondziekten. Meer was er niet aan de hand. En die fysieke aftakeling van zijn personages vond hij trouwens “veel minder ernstig dan wat de televisie prijs gaf”.

Critici en abstract werkende kunstenaars konden in Bacons ogen weinig goeds doen. De "drip-paintings' van Jackson Pollock leken op "versleten kantwerk'. Schilderkunst staat voor entertainment, vond hij.

Toch gaf Bacon in diezelfde gesprekken ook een nihilistische levensvisie ten beste. “De mens van deze tijd realiseert zich dat hij een ongeluk is, een voorval, een volstrekt nutteloos wezen, dat zonder enige reden een spel moet uitspelen. Tijdens dat spel kan hij zichzelf in de maling nemen door zijn leven te rekken, door gedurende enige tijd een beetje onsterfelijkheid bij zijn dokters te kopen”.

Angst speelde weliswaar mee, “want het leven zelf brengt bij een ieder angst te weeg. Uiteindelijk kan men niet verschrikkelijker zijn dan het leven zelf.” Tegelijkertijd ontkrachtte hij elke psychologische motivatie die anderen hem toedichtten. “Aan lijden en wreedheid denk ik helemaal niet. Ik weet simpelweg niet wat ik doe. Ik zet beelden neer en hoop dat ze me een beetje opwinden”.

De voormalige premier Margaret Thatcher mag dan beweerd hebben, dat Bacon "die man was van die afschuwelijke schilderijen', met zijn dood is wél Engelands belangrijkste 20ste-eeuwse schilder heengegaan, de bekendste Britse beeldend kunstenaar sinds Turner (1775-1851). Hij was de eerste Brit aan wie in 1971 het Grand Palais in Parijs een overzichtstentoonstelling wijdde, hetzelfde jaar waarin zijn vriend, partner en model George Dyer zelfmoord pleegde. Zijn zeer kostbare schilderijen maken deel uit van alle toonaangevende Westerse museumcollecties.

De Tate Gallery in Londen organiseerde in 1985 het laatste overzicht, met zo'n 125 schilderijen. Het tienvoudige moet, bewerkt met scheermessen, bij het vuilnis zijn beland. De schilder stelde hoge eisen en het resultaat bevredigde hem zelden. Tussen 1936 en 1944 produceerde hij niets, hij vernietigde alleen maar. Stomdronken aanwezig bij die opening in de Tate Gallery, zoals hij zelf aan de BBC vertelde, verbaasde hij zich over "de troep' die er hing.

Zijn eigen leven had schijnbaar weinig of niets uitstaande met de radeloze personages op het linnen. Het bestond uit het "trekken van kroeg naar kroeg, drinken, en wat dies meer zij'. Bacon reisde bij voorkeur naar gokpaleizen, naar Monte Carlo bijvoorbeeld. Liever wedde hij op de Britse renbanen, maar een astmatische allergie voor paarden weerhield hem daarvan.

Dat gokken, die zwerflust en een zwakke gezondheid hebben zijn jeugd bepaald. Als kind van een voormalige Britse legerofficier, die vlakbij bij Dublin renpaarden fokte, genoot hij voeding, maar "geen enkele opvoeding'. Hij werkte op de boerderij van zijn vader, voor wie hij vaak telegrammen moest afleveren bij een plaatselijk postkantoor, zodat er gewed kon worden op de paardenrennen. Door zijn astma moest een predikant hem thuis les komen geven. Lezen deed hij nooit en dat er zoiets als schilderkunst bestond, ontdekte hij pas veel later.

Vanwege zijn liefde voor stalknechten smeet zijn vader hem als puber het huis uit. Als huisbediende en kelner ging hij in Londen aan de slag om kort daarna af te reizen naar het continent. "Berlijn was in die tijd de hoofdstad van de ondeugd', meende Bacon, die er in krijtjes streep-pak de nachtclubs en goktenten afstruinde. Picasso's werk dat hij in Parijs zag deed hem besluiten te gaan schilderen.

Terug in Londen, dertig jaar oud, vestigde hij zich korte tijd als binnenhuisarchitect in een verbouwde garage. Daar moeten zijn eerste schilderijen zijn ontstaan. Tot zijn vijfstigste zou het zijn galerie moeite kosten om iets van hem slijten. Hij werkte in “een chaos in een afgelegen gebied”, zoals hij later de bende omschreef die voor een Londens atelier moest doorgaan. Zijn kleine studio was bezaaid met druipende potten en lekkende tubes verf, die op tafels, vloeren en wanden was gestold in onwrikbare korsten. Penselen werden aan gordijnen schoongeveegd.

Foto's, ansichtkaarten en terloopse observaties brachten hem op ideeën die meestal snel met vodden, vegers en vingers in verf werden uitgewerkt. Zijn "pauselijke' figuren, die tot zijn bekendste werken worden gerekend, zitten gevangen in transparante kasten. Het gegil uit hun wijd opengesperde monden wordt gesmoord door het glas. Hun pontificale gewaden bieden geen soelaas. Hier tronen toonbeelden van het vleesgeworden, vergeefse streven naar macht en onsterfelijkheid.

Bacon leidde dit thema af van zowel het 17de-eeuwse portret dat Velasquez van paus Innocentius X maakte als van een scène uit Eisensteins film "Kruiser Potemkin', waarin een gewonde verpleegster gilt van de pijn omdat ze een van haar ogen moet gaan missen. Diezelfde verpleegster is naakt en apathisch in een kale ruimte neergezet. Van buitenaf gebeurt niets schokkends. Nu niet en elders in zijn werk ook niet. Het is alleen weer die mond en die lichaamshouding die ellende verraden. Als een choreograaf moet Bacon het doen en laten van zijn eigen en andermans ledematen nauwkeurig hebben waargenomen.

In tegenstelling tot de kubist Picasso die mensen en gezichten als een puzzle opnieuw geometrisch rangschikte, heeft Bacon zijn portretten gedeformeerd tot gedrochten. Elk aangezicht is scheefgezakt, uit zijn voegen geraakt, schaamteloos toegetakeld. Hij schilderde zijn modellen niet 'naar het leven', maar gebruikte foto's. Want “ik wil hun niet in hun bijzijn het letsel toebrengen dat ik in mijn werk veroorzaak. Als zij mijn vrienden niet waren, zou ik tegenover hen niet zo veel geweld kunnen plegen”.

Bacon, "de realist', want zo wilde hij heten, is zijn figuratieve stijl trouw gebleven. Ook zijn opvallend kleurgebruik pastte hij een halve eeuw lang toe. Met het afstotende oranje moest blijkbaar elke neiging tot esthetiek worden uitgevlakt. Steeds weer plaatste hij vrienden en zichzelf in gekaderde vlakken en kooien, samen met een paar banale objecten. Soms verdween ook de summiere afbakening van de omringende ruimte. De flarden van één enkel mens, niet meer dan een romp met benen, bleven over. Tijdens het leven al was het lijf in staat van ontbinding.