Economie van Oman ontwikkelt zich snel door olie; De oliereserves zijn vorig jaar opgevoerd tot 4,45 miljard vaten, goed voor bijna 20 jaar produktie

MUSCAT, 29 APRIL. “De economie van Oman ontwikkelt zich in een snel tempo vooral dankzij de oliewinning. Zeker met het project dat nu bestudeerd wordt om vloeibaar aardgas te exporteren, heeft het land op nog langere termijn een goede toekomst.”

Dat zegt ir. Maarten Wink, technisch directeur van Petroleum Development Oman (PDO), de oliemaatschappij waarin de staat een belang heeft van 60 procent. Wink werkt ook voor Shell, in omvang de tweede aandeelhouder (34 procent) die optreedt als operator (technisch uitvoerder) voor de olie- en gaswinning.

Shell-mensen vinden Oman een interessant gebied omdat de olie er veelal in kleine velden voorkomt en speciale technieken nodig zijn voor de winning. Vooral in het zuiden komt veel zware olie voor die met bijvoorbeeld stoominjectie meer vloeibaar wordt gemaakt, waardoor er veel meer uit een veld gewonnen kan worden.

Door intensief exploratiewerk is PDO er sinds het begin van de oliewinning in de jaren '60 in geslaagd een dringende wens van Sultan Qaboos te vervullen: vrijwel elk jaar is er meer aan de oliereserves toegevoegd dan er werd gewonnen en verkocht. Tussen 1982 en 1991 is de winbare reserve gestegen van 3,5 miljard vaten olie bij een produktie van 350.000 vaten per dag tot 4,25 miljard vaten bij een dagproduktie van 700.000 vaten.

Vorig jaar heeft PDO zelfs anderhalf maal zoveel nieuwe olie gevonden als er werd geproduceerd, zegt ir. Wink. In de grote olielanden aan de Golf is dat een koud kunstje, maar in Oman vergt het veel technisch vernuft. Per dag worden in Oman nu zo'n 725.000 vaten olie naar boven gepompt, waarvan 675.000 vaten door PDO. In vergelijking met de grote olielanden in de Golfregio met hun gigantische reserves, zoals Saoedi-Arabië, Iran, Koeweit en Irak, is dat bescheiden, maar voldoende voor een redelijk inkomen in een land met een kleine bevolking als Oman (1,5 tot 2 miljoen inwoners). Wink is erg tevreden over de inzet en medewerking van de lokale bevolking. Zijn bedrijf, na de overheid de grootste werkgever in het land, telt onder de 4.500 personeelsleden 60 procent Omanieten.

Ruim 50.000 vaten van hun olieproduktie verbruiken de Omanieten zelf. De regering heeft een eigen kleine raffinaderij die ook een deel van de geproduceerde brandstoffen exporteert. Voor de export van ruwe olie blijven er een kleine 700.000 vaten per dag over, waarvan het grootste deel in tankers naar het Verre Oosten gaat. Dit betekent een jaarlijkse inkomstenstroom voor het land van ruim 4,5 miljard dollar, waarvan ongeveer een derde opieuw in de oliewinning wordt geïnvesteerd. De produktiekosten van 2 à 2,5 dollar per vat maken het werk voor de oliemaatschappijen voldoende aantrekkelijk, bijvoorbeeld in vergelijking met de Noordzee, waar de oliewinning met dure platforms het viervoudige kost.

Vorig jaar zijn de oliereserves opgevoerd tot 4,45 miljard vaten, goed voor bijna 20 jaar produktie op het huidige niveau. “Maar die rekensom geeft een verkeerde indruk”, protesteert dr. Herman Franssen, adviseur van de Omaanse minister van olie en mineralen. “De exploratie is een doorgaand proces, elk jaar komen er weer nieuwe hoeveelheden bij. Oman zal veel langer olie kunnen produceren dan die 20 jaar.”

Toch realiseert de Omaanse regering zich heel goed dat de olievoorraden ooit zullen opraken, zo blijkt uit gesprekken met verschillende ministers. Enkele jaren geleden hebben Shell en de andere maatschappijen die deelnemen in de exploratie en winning van olie - en een deel van de produktie afnemen, waarop ze hun winst maken - een nieuw systeem van vergoeding gekregen. Hoe dat precies in elkaar steekt wordt niet onthuld, maar het komt erop neer dat de maatschappijen extra geld krijgen voor het aanboren van nieuwe reserves. Deze stimulans om op zoek te gaan in nog niet ontgonnen gebieden is zeer succesvol gebleken, want er zijn talloze kleine olievelden tot produktie gekomen.

Daarnaast probeert de regering ook een hogere toegevoegde waarde uit haar belangrijkste exportprodukt te halen. De eerste stap daartoe werd in maart gezet, door het besluit om een belang van 20 procent te nemen in een nieuwe raffinaderij in Thailand. De fabriek, die 600 miljoen dollar gaat kosten, wordt door Caltex gebouwd, krijgt een capaciteit van 120.000 vaten per dag en wordt gevoed met olie uit Oman. Met Japanse ondernemers wordt bekeken of de bouw van een petro-chemische fabriek in Oman aantrekkelijke perspectieven biedt. In die fabriek kunnen aardgas en olie uit eigen land worden verwerkt. Ook wordt de vestiging van een exportraffinaderij overwogen.

Shell voert momenteel een gedetailleerde studie uit voor een project waarmee Oman na het jaar 2000 nog meer geld kan verdienen: het vloeibaar maken en exporteren van aardgas. Volgens ir. Wink is er de laatste jaren door PDO zoveel gas gevonden dat de Omaanse industrie, de elektriciteitsvoorziening en de waterontzilting daar 50 jaar op kunnen draaien en er bovendien nog 20 jaar lang een grote hoeveelheid (5 miljoen ton vloeibaar gas per jaar) geëxporteerd kan worden. Maar die periode kan net als bij de olie veel langer worden, omdat de exploratie doorgaat.

Bij een eerste haalbaarheidsonderzoek is al gebleken dat de totale investering van 15,5 miljard gulden, benodigd voor de fabriek die het gas vloeibaar maakt, voor transportleidingen, een laadstation en speciale tankschepen, commercieel verantwoord kan zijn. De belangrijkste potentiële afnemers zitten in het Verre Oosten: Japan, Taiwan en Zuid-Korea. PDO verricht de winning van het gas, maar doet dat geheel voor rekening van de Omaanse overheid. Om meer gegevens te verzamelen over de preciese omvang van de gasvelden in Oman moeten nog proefboringen met speciale, grote boortorens verricht worden, op 5.000 meter diepte. Voor de oliewinning boort PDO in het algemeen op dieptes tussen de 1.000 en 3.500 meter.

Voor de "downstream' (de behandeling van het gas, de verkoop en het transport) wordt een aparte onderneming opgericht, waarin de overheid een belang krijgt van 51 procent, Shell 34 procent en de twee andere partners in PDO, Total en Partex (een Portugees bedrijf), resp. 6 en 2 procent. Voor de overige 7 procent worden derde partijen in het Verre Oosten aangezocht die nauw verbonden zijn met de afnemers van het vloeibaar aardgas: distributiemaatschappijen, elektriciteitsproducenten en de industrie. Binnenkort wordt bekendgemaakt wie deze (Japanse) partners zullen zijn.