Als Afghanen verkleed met de mujahedeen naar Kabul; Het verzet heeft goede ogen

KABUL, 29 APRIL. “U kunt mee naar Kabul, over een uur vertrekt ons eerste konvooi over land via Jalalabad”, roept Nasrullah Baryala zaterdag door de telefoon. In de Pakistaanse stad Peshawar neemt hij de honneurs waar voor zijn broer Abdul Haq, wiens aanwezigheid als guerrilla-aanvoerder nu dringend vereist is bij de Afghaanse hoofdstad. Daar speelt zich de ontknoping van de 14-jarige oorlog tegen het communistische bewind af.

Zoals gebruikelijk zijn de Afghaanse verzetsstrijders, de mujahedeen, niet punctueel. Ruim drie uur na de afgesproken tijd kan onze groep van vier buitenlandse journalisten plaatsnemen op een lading zakken in een grote vrachtauto naast een half dozijn mujahedeen. Onmiddellijk buiten Peshawar stoppen we opnieuw ruim een uur en pas tegen het vallen van de avond rijden we ten slotte richting Khyberpas, dicht bij de grens met Afghanistan.

De buitenlanders hebben zich in pyjama-achtige gewaden als Afghanen verkleed, omdat de Pakistaanse grenswachten niet toestaan dat buitenlandse journalisten naar het buurland reizen. Brillen moeten af, want de mujahedeen hebben goede ogen en weigeren hoe dan ook mee te doen aan zulk verwekelijkt gedrag. In plaats daarvan is wel een muts of een tulband verplicht.

Aan de Afghaanse kant van de grens bij Torkham heerst er ondanks het late uur nog veel bedrijvigheid. De houders van de vele kraampjes zijn opgewonden over de nieuwe mogelijkheden nu de hoofdweg langs Jalalabad voor het eerst in jaren voor vrijwel iedereen open is.

Na ongeveer een uur rijden buigen de twintig vrachtauto's van de hoofdweg af naar een dorpje, waar we de nacht doorbrengen: er bestaat enige onzekerheid over de veiligheid op de rest van de weg in het donker. We eten rijst met erwten en aardappels, drinken thee en gaan dan in een sober ingericht vertrek slapen. In de nabijheid weerklinken zware explosies en veelvuldig geweervuur. “Dat was alleen maar training van de mujahedeen”, legt de volgende ochtend een van onze reisgenoten uit.

Ruim voor zonsopgang gaat de reis verder. Onderweg wordt gestopt voor het ochtendgebed en dan strandt het konvooi tijdelijk, omdat de weg gecontroleerd moet worden op landmijnen. De avond tevoren is er een auto op een mijn gereden: één dode en twee gewonden. Het verwrongen restant van de pick-up truck wordt weggesleept. Verder oponthoud wordt veroorzaakt doordat een plaatselijke aanvoerder niet op hoogte is van het konvooi en geen toestemming wil geven om door te rijden. Uiteindelijk zwicht hij.

Her en der zien we tussen de weiden de al dan niet roestige brokstukken van Russische tanks, pantserwagens en andere militaire voertuigen. Militairen van het Afghaanse regeringsleger, nog in uniform gekleed, groeten de passerende auto's van de mujahedeen enthousiast. Die tonen zich op hun beurt gereserveerd. Het is moeilijk om plotseling zoete broodjes te bakken met de mannen die ze jarenlang op leven en dood hebben bevochten, ook al leven ze in een samenleving waar allianties voortdurend verschuiven en de vijand van gisteren de bondgenoot van morgen kan zijn.

Pag.5: "Massoud verraadde de mujahedeen'

In de loop van zondagmorgen rijden we Jalalabad binnen. De stad maakt een rustige indruk. Veel huizen zijn vervallen, maar verwoestingen als gevolg van de oorlog zijn er nauwelijks. De mensen zijn er zichtbaar welvarender dan in de dorpen. Velen rijden rond op een fiets en de winkeltjes zien er redelijk gevuld uit. Het konvooi baant zich langzaam een weg door de stad onder luid gejubel van de inwoners.

Na Jalalabad volgen we grotendeels de rivier de Kabul. De weg wordt steeds stoffiger en het wegdek slechter, alleen bij uitzondering ligt er nog een stukje asfalt. Veel bruggen zijn weggeslagen en de weg zit vol diepe bomkraters, waardoor het verkeer dikwijls door de bedding van droge of volle beken moet worden omgeleid. Tientallen totaal verwoeste dorpen volgen elkaar op, de bewoners zijn al jaren geleden naar Pakistan uitgeweken.

Het landschap wordt steeds grootser. De weg kronkelt nu door een lange, nauwe kloof van de rivier de Kabul. Begroeiing is er bijna niet. Toch zijn er in het nauwe dal nog enkele nomaden met geiten, schapen en dromedarissen neergestreken. Uit de primitieve tenten komen kleurig geklede vrouwen te voorschijn. De dichtheid van militaire wrakken neemt toe, de weg is er hier en daar mee bezaaid.

In het plaatsje Sarobi staan twee stuwdammen die de hoofdstad Kabul van elektriciteit voorzien. Abdul Haq heeft enkele dagen geleden de controle over deze strategisch belangrijke streek overgenomen van de regeringsmilitairen, maar hij is zelf alweer doorgetrokken, naar de hoofdstad. In Sarobi wordt gemeld dat in Kabul zware gevechten woeden tussen de aanhangers van de radicale Gulbuddin Hekmatyar en van Ahmed Shah Massoud.

Niettemin krijgen we toestemming van Haqs medewerkers om verder richting hoofdstad te reizen, naar een basis even buiten Kabul. Het konvooi blijft achter. De hoofdweg kunnen we niet nemen. Die is in handen van de gevreesde Oezbeekse militie onder leiding van generaal Dostan, en de mujahedeen van Haq, die zelf Pathanen zijn, vertrouwen de Oezbeken voor geen cent. “Al is een Pathaan nog zo boos, hij is zelfs dan nog altijd vriendelijker dan een Oezbeek op zijn aardigst, luidt bij ons een oud gezegde”, aldus een Pathaanse reisgenoot.

Zo reizen we in de schemering in een overvolle pick-up langs allerlei achterafweggetjes, hoog in de bergen. “Hier is het even oppassen”, zegt een begeleider laconiek, “hier zijn al herhaaldelijk auto's op landmijnen gereden”. We passeren in hoog tempo gapende afgronden, in een zwaar onweer. De bliksemschichten boven de steile, kale, deels met sneeuw bedekte bergen maken een spookachtige indruk.

In de stromende regen komen we aan bij een andere basis van Haq, die hij daags tevoren van en Afghaanse generaal heeft overgenomen. De nieuwe huisheer bevindt zich echter in het op 20 kilometer afstand gelegen Kabul, waar hij poogt te bemiddelen tussen Hekmatyar en Massoud. Af en toe laat hij via de radio iets van zich horen. Binnen kijkt men naar de televisie en de onheilstijdingen over meer gevechten in de hoofdstad blijven binnenstromen.

Maandagmorgen begint de laatste etappe van de reis. Al op enige afstand van de stad is het gebulder van zware artillerie te horen, terwijl vliegtuigen van de Afghaanse luchtmacht hun bommen uitstrooien op de zuidelijke wijken van de stad, waar Hekmatyars eenheden zitten. Overal boven de stad, die fraai is gelegen aan de voet van steile besneeuwde bergen, stijgen rookwolken op van inslaande projectielen.

In een oostelijke buitenwijk stuiten we op gewapende aanhangers van Hekmatyar. “Massoud heeft de mujahedeen verraden door met de militie samen te werken. Wij willen een volledig islamitische staat, voor honderd procent en niet minder”, zegt een van hen. “Daarvoor zullen we tot onze laatste druppel bloed vechten”. Een andere man valt grimmig in: “En als jullie onze standpunten niet goed overbrengen, vermoorden we jullie”.

Heelhuids bereiken we de basis van Abdul Haq, die strategisch is gelegen op een heuvel en over de hele stad uitkijkt. Maar ook Abdul Haq kan ons geen toegang verschaffen tot het centrum van de stad. De gevreesde Dostan-militie maakt alle verkeer onmogelijk.

Zo slaan wij twee dagen en twee nachten een uitzonderlijk schouwspel gade: voor ons ontploffen met tussenpozen bommen en granaten, terwijl vrachtauto's met angstige burgers de stad ontvluchten. Bewoners uit het centrum van de stad melden dat er veel doden en gewonden in de straten liggen. 's Avonds zijn we getuige van een vuurwerk waar ieder Oud en Nieuw bleek bij afsteekt. Ook dichtbij ons slaan af en toe bommen in.

Vanmorgen bleek er eindelijk een sluipweg beschikbaar om ons via de dorpen ten oosten van Kabul naar het centrum van de stad te brengen, langs de gevreesde Pul-i-Charki gevangenis waar duizenden Afghanen onder het communistische bewind zijn doodgemarteld. Nu is het uitgestrekte complex verlaten.

In het centrum is het betrekkelijk rustig. Langs de hoofdweg uit het oosten, waarlangs een dag eerder ook het konvooi van professor Sibgatullah Mojadidi triomfantelijk binnenreed, staan grote metalen containers, die veel Afghanen tot hun woning hebben gemaakt. Niet bovenmatig verontrust volgen ze het verloop van de strijd, die nog steeds af en toe oplaait.

Foto: Mujahedeen doorzochten vanochtend - en plunderden - het complex van het ministerie van binnenlandse zaken, waar ze een man vonden die ze identificeerden als een communist en vervolgens onder de ogen van een fotograaf van het persbureau Reuters doodschoten. De man werd eerst gebonden en geslagen, en vervolgens de trap afgetrapt naar de begane grond waar een mujahedeen hem met zijn geweerkolf begon te slaan. Toen schoot hij zeker tien kogels in de gevangene, waarna hij probeerde diens keel door te snijden met een bot officierszwaard. (Foto Reuter)