"Waarom mogen de anderen wel een eigen staat en wij niet?'; Nieuwe republiek laat Belgrado koud

BELGRADO, 28 APRIL. Een kwartiertje hebben de leiders van Servië en Montenegro slechts nodig om hun nieuwe “Federatieve Republiek Joegoslavië” op de been te helpen, genoeg voor het voorlezen van een proclamatie, het zingen van het volkslied, vlaghijsen en wat kort applaus. De uitroeping van het nieuwe Joegoslavië was gisteren allerminst een feestelijke gebeurtenis.

Het leven in Belgrado, hoofdstad van Servië en van het nieuwe en oude Joegoslavië, ondervond ook geen enkele invloed van de historische gebeurtenis. Het is stil in de straten, op deze uitzonderlijk warme, tweede (orthodoxe) paasdag. Slechts enkele honderden mensen, meest toevallige voorbijgangers, staan tegenover het parlementsgebouw en zien hoe de oude rood-wit-blauwe vanen met de rode ster werden vervangen door dezelfde driekleur zonder ster.

En de meesten van hen vinden het nog geen goed idee ook. “Waarom mogen de Slovenen, de Kroaten en de anderen wel hun eigen staat hebben, maar moeten de Serviërs het doen met een Joegoslavië”, vraagt een baardige man zich luidkeels af. Een ander meent dat het “een truc is van de communisten om hun baantjes en hun Mercedes te houden”. Binnen staat het koor van in het wit geklede maagden, opgetrommeld voor het aloude volkslied "Hej, Sloveni' ("Op, gij Slaven'), na gedane arbeid duidelijk zichtbaar te ginnegappen.

De politici van Servië en Montenegro, 's avonds geïnterviewd door de Servische staatstelevisie, hebben de mond vol van een “historische dag” en “de beste weg voorwaarts onder de gegeven omstandigheden”. Toch kan niemand uitleggen waarom dit derde Joegoslavië zo snel eerst door de parlementen van Servië en Montenegro moest worden gejaagd, nadat de Montenegrijnen eerst nog even in een referendum om zijn mening waren gevraagd. Het volk van Servië is merkwaardig genoeg niets gevraagd.

Ook de discussie over de grondwet was gisteren meer dan summier. De meeste bankjes in het federale parlement zijn al maanden gapend leeg, omdat de Sloveense, Kroatische, Bosnische en Macedonische afgevaardigden niet meer komen. Wel hangen tijdens de plechtige sessie 's middags nog de zes grote koperen schilden aan de muur, voorstellende de wapens van de republieken van de gisteren verscheiden Socialistische Federatieve Republiek.

Wellicht was een openlijke discussie over de noodzaak van het Derde Joegoslavië ook wat al te pijnlijk geweest voor de leiders van Servië en Montenegro, de laatste republieken van ex-Joegoslavië waar - zij het onder ander etiket - de communistische partij nog aan de macht is. Dat het vorige Joegoslavië ter ziele is, lijkt immers niet in de laatste plaats de mislukking van de Servische politiek van streven naar behoud van de oude staat. Sloveense en Kroatische voorstellen om van die federatie een confederatie te maken werden vorig jaar nog van Servische zijde hoogmoedig afgewezen. In plaats daarvan nam men zijn toevlucht tot geweld. In Kroatië en Bosnië-Herzegovina werden bovendien gewapende Servische milities actief die met hulp van het Joegoslavische leger ervoor moesten zorgen dat “alle Serviërs in één staat konden leven”.

Nu, bij de proclamatie van het nieuwe Joegoslavië, lijkt het alsof de Servische president Slobodan Milosevic het streven “alle Serviërs in één staat” nimmer heeft gesteund. Slechts een enkele afgevaardigde heeft 's morgens nog schoorvoetend geopperd, dat Serviërs die thans nog buiten de nieuwe republiek vallen, daarvan wellicht in de toekomst ook deel van kunnen uitmaken. De grondwet van het nieuwe Joegoslavië biedt daartoe de mogelijkheid. Artikel 2 bepaalt dat “andere republieken” tot de federatie kunnen toetreden. “Maar voor het moment wil Milosevic zich zoveel mogelijk distantiëren van de Serviërs in Kroatië en Bosnië”, meent een Westerse waarnemer, die de haast bij de vorming van de nieuwe federatie deels verklaart uit de hel en verdoemenis die de EG en andere Europese en westerse landen over Servië dreigen af te roepen, omdat deze republiek de eerstverantwoordelijke zou zijn voor de vijandelijkheden in Bosnië.

Er zijn er, die menen dat het Milosevic ernst is met zijn distantie tot de Servische minderheden elders. “Als het aan hem ligt, krijgt het Derde Joegoslavië een sterk afgeslankt leger; de nu in Bosnië gelegerde eenheden moeten van hem maar zorgen dat ze het leger van de Serviërs daar worden, Belgrado trekt zijn handen van hen af”, aldus een waarnemer.

In de plechtige verklaring bij de proclamatie van de nieuwe staat wordt opgemerkt dat Joegoslavië geen territoriale aanspraken maakt op omringende gebieden, en zelfs bereid is de uitgetreden republieken staatkundig te erkennen, binnen het kader van de EG-vredesconferentie. Voeg daarbij nog de krachtige betuiging van liefde voor democratie, markteconomie en rechten voor nationale minderheden van de nieuwe staat, en de Joegoslavische crisis lijkt geregeld.

“Zelfs als Milosevic al die dingen werkelijk zou willen is het al te laat”, meent een Belgradose intellectueel. “Er zijn teveel wapens verdeeld, teveel frustraties opgewekt, de deur voor het fascisme in Servië is opengezet”. Veel Hongaren (3,3 procent van de inwoners van het nieuwe Joegoslavië) en Albanezen (16,6 procent) zijn bang dat zij als volgenden aan de beurt zijn, als de privé-legertjes en milities die nu door Bosnië razen, daar met hun werk klaar zijn.

En het is ook niet gezegd dat de Servische militairen en politieagenten in Bosnië en Kroatië, die hebben getoond hun leven veil te hebben voor de Servische zaak, zich nu opeens maar met een bestaan buiten het nieuwe Joegoslavië laten afschepen. “Milosevic heeft zich onder druk laten zetten door Europa, en nu laat hij ons in de steek”, zei een wrokkige politieagent deze week nabij de door Servische milities veroverde, Bosnische stad Bjeljina.

Dat Milosevic met de vorming van het nieuwe, kleine Joegoslavië de Servische zaak verraadt is ook de opvatting van de meeste van de tweehonderd mensen die toezien hoe de Servische president, met aan zijn zijde de Montenegrijnse president Momir Bulatovic, na de proclamatie minzaam wuivend de statige trappen van het parlement in Belgrado afkomt. Weinig vleiende spreekkoren als “Slobo-Saddam” en “Rode bende” worden zijn deel.

Desondanks besluit de Servische president een bad in de menigte te nemen en zich lopend naar het Servische parlement te begeven, aan de andere kant van een soort parkje. Het blijkt een misrekening: de wandeltocht ontaardt in voortdurende duwpartijen tussen zenuwachtige veiligheidsagenten en opgewonden critici van Milosevic, die ijlings voortbeent maar in het gedrang zijn Montenegrijnse collega kwijtraakt. Deze scène haalt 's avonds niet het staats-televisiejournaal.