Voorjaar van ontevredenheid

Nederland maakt zijn voorjaar van onvrede mee. Stakingen bij de spoorwegen, in de zuivelindustrie, nijdige boeren die hun melk in het riool laten weglopen, acties in de metaalnijverheid, de gezondheidszorg, de supermarkten, taxichauffeurs die de uitvalswegen van de grote steden blokkeren.

Het lijkt wel de winter of discontent in het nog door Labour geregeerde Engeland van 1978. Die winter vol stakingen leidde tot twintig jaar conservatief bewind. Margaret Thatcher dankte haar leiderschap niet in de laatste plaats aan het feit dat zij de macht van de vakbonden wist te breken en ze als storende factor wist uit te schakelen.

In Nederland stuiten stakingsacties steeds vaker op weerstanden in de publieke opinie. De voorzitter van de FNV, Johan Stekelenburg, blijkt zich daarvan bewust te zijn, maar wekt niet de indruk nog veel greep op zijn achterban te hebben.

Er wordt gesproken over een crisis in de overlegeconomie. De voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen, Rinnooy Kan, hoopt nog dat het een tijdelijke crisis zal zijn. Ik betwijfel dat. Er is meer aan de hand dan de werkgeversvoorzitter denkt. Hij kant zich in het bijzonder tegen het optreden van de FNV, die “keer op keer te keer gaat om ooit verworven rechten kost wat kost volledig te behouden.”

De schending van het akkoord in de Stichting van de Arbeid van november 1991 over de bestrijding van het ziekteverzuim in de CAO-onderhandelingen is niet alleen het werk van de FNV-bonden, maar ook van de werkgevers die te gemakkelijk door de knieën gaan voor stakingsdreigingen. De werkgevers in de metaalnijverheid laten zien dat het loont om niet te snel onder vakbondsdruk te bezwijken.

Het gemak waarmee centrale afspraken in de decentrale onderhandelingen opzij worden geschoven is onthullend voor de ontluistering van het centraal overleg. Dit verschijnsel is zeker niet tijdelijk van aard. Het hangt samen met de keus voor decentrale loonvorming. In 1985 beschreef W.H. Reynaerts al wat we in dit voorjaar van 1992 zien gebeuren:

“Het is duidelijk dat de werkgevers met hun preferentie voor een decentrale, gedifferentieerde loonvorming een brandhaard naar zich toe trekken, die eerder op hoger niveau werd geneutraliseerd. Zij plaatsen de onderneming vooraan in het front van de arbeidsverhoudingen.”

Reynaerts verwachtte ook dat de beleidscoördinatie aan de kant van de werkgevers snel zou bezwijken onder de toenemende druk van werknemerskant. De interne discipline zag hij als de achilleshiel van de werkgeversstrategie. Datzelfde kan overigens ook worden gezegd van de vakbonden. De vakcentrales hebben nog maar heel weinig zeggenschap over de aangesloten bonden. Aangezien aan beide kanten de discipline hapert wordt de bodem onder de overlegeconomie weggetrokken.

Rinnooy Kan hoopt nog op een herstel van de nationale consensus waar we “op weg naar de eenentwintigste eeuw nog veel plezier van kunnen hebben”. Vice-premier Kok acht het de hoogste tijd voor centraal overleg. In dat voorjaarsoverleg zouden partijen elkaar eens flink de waarheid moeten zeggen. Dat zou "de donkere lucht aan het sociale front' misschien kunnen doen opklaren.

Ik denk dat beiden tegen beter weten in spreken. We zullen er aan moeten wennen dat we niet meer in een overlegdemocratie leven die tot nationale consensus over het sociaal-economisch beleid zal leiden. Partijen moeten zich instellen op de onderhandelingshuishouding die we van onze samenleving hebben gemaakt. Tussen overleggen en onderhandelen bestaat een wereld van verschil.

Met zijn kritiek op vakbonden die te snel naar het stakingswapen grijpen en werkgevers die te vlot toegeven verzuimt Kok het aandeel van het kabinet zelf in de algemene onvrede te vermelden. Het werkte zelf de inflatie in de hand door tal van lastenverzwaringen waardoor de limiet voor de voorgecalculeerde loonstijging van drie procent wel overschreden moest worden.

De overheid zou zich minder moeten toeleggen op het voorschrijven van richtlijnen voor het onderhandelingsgedrag van werkgevers en werknemers, maar zichzelf meer als onderhandelende partij moeten opstellen. Er zijn heel weinig ministers die hun nieuwe rol hebben begrepen. Eén van de weinigen is minister Dales van binnenlandse zaken, die aan de vooravond van de onderhandelingen met de ambtenarencentrales zei bereid te zijn af te zien van haar voorstel zieke ambtenaren te korten op de uitkeringen of hun vakantiedagen af te nemen. Ze zei letterlijk geen behoefte te hebben als boegbeeld van het kabinetsbeleid te dienen. Prof. D.B.J. Schouten, de vermaarde econoom die onlangs afscheid nam als kroonlid van de SER, had zeker gelijk toen hij in een interview zei het te betreuren dat we de centrale coördinatie van het loonbeleid hebben afgeschaft. Het is immers niet te ontkennen dat werkgevers, werknemers en overheid hun eigen recessie organiseren door de opstapeling van lastenverzwaringen en loonsverhogingen.

Lastenverlichting is de voorwaarde voor een gematigde loonontwikkeling en de beste remedie tegen een economische inzinking. Het moeizame beraad in het kabinet over het begrotings- en inkomensbeleid laat zien hoe moeilijk het is om zo'n beleidsscenario te regisseren. De politieke oplossing die ten slotte is gevonden - een vrij grove denivellering - zal zeker geen grondslag bieden voor een sociaal akkoord, noch een eind maken aan de maatschappelijke onrust. Het is trouwens de vraag of er wel van een oplossing kan worden gesproken.