Streven naar evenwicht kan kabinet straks nog opbreken

DEN HAAG, 28 APRIL. Men kan zich bijna voorstellen hoe dat gisteren in het Torentje tussen minister-president Lubbers en PvdA-leider Kok is gegaan. “Nee, Ruud, we hebben het als PvdA al zo moeilijk: een procent koopkrachtverlaging voor de minima en meer geld voor de rijken, dat pikken Rottenberg en de kiezers niet”, zegt Kok. Lubbers: “Maar Wim, we hebben toch een "inspanningsverplichting' in het kabinet afgesproken om de koopkracht te beschermen.” Kok: “Dat moet dan keihard in de brief staan.” Lubbers: “Goed. En dan zetten we over de 1 procent verlaging van het btw-tarief dat we "nadrukkelijk' een inspanningsverplichting aangaan om die te financieren. Dan heeft Brinkman ook wat lastenverlichting.”

De negen kantjes tellende brief van de regering over het sociaal-economisch beleid voor 1993, die vannacht na een hele dag overleg naar de Tweede Kamer ging, is niet veel meer dan een schriftelijke samenvatting van hetgeen premier Lubbers afgelopen vrijdag tijdens zijn wekelijkse persconferentie zei. Alles zit erin: de ontkoppeling, verhoging van de belastingvrije voet, de maximaal 1 procent koopkrachtverlies voor de minima, de koopkrachtverbetering voor de mensen die tweemaal modaal verdienen, de btw-verlaging op voorwaarde dat men een financiering kan vinden voor de 1,7 miljard gulden die dit kost.

De reactie van CDA-fractieleider Brinkman op de brief was dan ook voorspelbaar en ook wat vilein: wij hebben vrijdag reeds steun gegeven aan de uitleg van het kabinetsstandpunt zoals Lubbers die op zijn persconferentie heeft gegeven. Die steun blijft “nu datzelfde besluit netjes op papier staat”. PvdA-fractieleider Wöltgens legde de nadruk op de passage in de brief dat het kabinet “niet zal berusten” in een beeld waarbij de koopkracht voor de minima met een procent daalt. Ook dat was voorspelbaar.

Er zitten inderdaad een aantal gebaren naar de PvdA in de brief, tot uitdrukking komend in bepaalde formuleringen en in weglatingen. Het gaat om de sfeer. Vrijdag zei Lubbers het denivellerend effect van de kabinetsmaatregelen eigenlijk wenselijk te vinden, om het verschil tussen werkenden en niet-werkenden te vergroten: dat is goed voor de arbeidsmarkt. Letterlijk zei hij de denivellering zelfs “onvermijdelijk en tot op zekere hoogte ook niet bezwaarlijk” te vinden. In de brief zijn dit soort noties niet terug te vinden.

Diezelfde vrijdag onderstreepte Lubbers dat de koopkrachtdaling van één procent voor de laagste inkomens een ondergrens was die niet “doorschreden” mocht worden, het was “een linie van bescherming”. Verder kondigde hij pogingen aan “de schade nog wat meer te beperken”, maar de mogelijkheden daartoe waren “bescheiden” en de premier wilde “geen illusies” wekken.

Diezelfde middag had ook Kok het voor mogelijk gehouden dat de koopkracht zou verslechteren, hij wilde althans “geen garanties” geven dat dit niet zou gebeuren. In de brief wordt in dit verband nu de typisch Haagse term “inspanningsverplichting” gehanteerd. Verbaal is het verschil tussen Lubbers en Kok nu dus nog kleiner geworden.

Cruciaal is de passage in de brief volgend op een opsomming van de voor- en nadelige koopkrachteffecten (zie staatje): “Dit betekent concreet dat het kabinet in de uitkomst van het hierboven gepresenteerde beeld niet wil berusten en zich ten uiterste wil inspannen om de koopkrachtachteruitgang geringer, resp. zo gering mogelijk te doen zijn. Toetspunt voor de aanvaardbaarheid van het resultaat daarvan zal mede zijn het totaalbeeld van de ontwikkeling van de inkomensverhoudingen.” Het is deze passage waar Wöltgens in zijn reactie de nadruk op legt.

Dat het totaalbeeld van de inkomensverhoudingen later dit jaar toetspunt zal zijn is relevant: hij staat garant voor een zomerlang cijferen tot achter de komma. Dat Lubbers dit soort discussies eigenlijk “onterend naar de samenleving toe” vindt, dan wel “een belediging voor de burgers die vaak met heel andere realiteiten hebben te maken”, zoals hij vrijdag zei, doet er blijkbaar niet meer toe. Eigenlijk voert het kabinet uit wat het zelf heeft geformuleerd in de wet die ontkoppelen mogelijk maakt. Ontkoppelen mag, zegt deze WKA, maar dan moet er worden gestreefd naar evenwichtige inkomensverhoudingen. De vraag is "slechts': wat is evenwichtig? Over het antwoord kan het kabinet deze zomer alsnog vallen.

Het kabinet zet hoog in op de medewerking van de sociale partners en dat maakt de opzet van deze begroting bepaald speculatief. De regering biedt aan: een lastenverlichting voor burgers en bedrijven in de vorm van btw-verlaging. Duister is echter hoe zij deze verminderde belastingopbrengst financiert. In elk geval niet door verder te bezuinigen op de uitgaven van de departementen. Lubbers, Kok en De Vries hopen dat bestrijding van fraude in de sociale zekerheid het nodige oplevert; veel meer meldt de brief niet.

Gevraagd aan de sociale partners: loonmatiging, bijvoorbeeld een loonstijging die alleen de prijsstijging compenseert. Hetzelfde hoopt het kabinet te bereiken bij de ambtenarensalarissen en in de gezondheids- en bejaardenzorg: een stijging van de salarissen van 3,5 procent overeenkomend met de voorspelde prijsstijgingen. Dat is een gegeven dat voor vanavond - als minister Dales van binnenlandse zaken met de ambtenarenbonden over de CAO overlegt - op tafel ligt. Actievoerende verpleegkundigen weten ook meteen wat de regering volgend jaar met hen wil.

Effecten op koopkracht

Het koopkrachtplaatje voor 1993, waarin het kabinet Lubbers/Kok “niet wil berusten”. De genoemde bedragen zijn netto-inkomens.

Uitkeringsgerechtigde zonder kinderen (ƒ 22.000) -1 Uitkeringsgerechtigde met kinderen -¾ Minimumloon -¾ Minimumloon zonder kinderen -1 Werknemer boven minimumloon met gemiddelde loonstijging ½ Modale werknemer (ƒ 35.700) ½ Twee maal modale werknemer (ƒ 57.000) 1¼ Ambtenaar vergelijkbaar met modaal ½