Schilderingen van Van de Wint in Tweede Kamer onthuld; Doeken met surrealistisch effect

Tegelijk met de opening van het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer werden vandaag ook de schilderingen onthuld die R.W. van de Wint voor de plenaire vergaderzaal vervaardigde. Zij zijn aangebracht op een halfronde, schegvormige wand achter het presidium en de regeringstafel.

Dit is een prominente plek: tijdens televisie-uitzendingen van Kamerdebatten zullen de schilderijen vrijwel permanent in beeld zijn.

Het werk van Van de Wint bestaat uit tien doeken van zeven meter hoog; de breedte varieert van één tot viereneenhalve meter. De zesdelige, met granieten platen beklede wand is afwisselend bedekt en onbedekt gelaten. In totaal is er sprake van vijf 'beelden': twee doeken op twee losstaande wanden vormen telkens een geheel.

De Begeleidingscommissie Kunsttoepassing Tweede Kamer adviseerde in 1987 de Rijksbouwmeester om de opdracht voor de nieuwe vergaderzaal aan Van de Wint te geven. Deze commissie onder voorzitterschap van prof. ir. Jean Leering, bestond uit de architect van het Kamergebouw ir. P.B. de Bruijn en vertegenwoordigers van de Rijksgebouwendienst en de Tweede Kamer. Uit vijf voorstellen koos de commissie dat van Van de Wint omdat het ''ten opzichte van de heldere architectuur een bijna theatraal tegenbeeld biedt.''

“Uit het conflict komt de schoonste voeging voort”, zegt Van de Wint. Dit idee van de Griekse filosoof Heraclitus zou als motto kunnen dienen bij zijn gehele oeuvre. “Tegenstellingen veroorzaken energie. De polarisatie in alles is van een constructief, dramatisch belang.” In het begin van de jaren zeventig presenteerde Van de Wint (1942) zich als 'Jochem en Rudi, de schilders'. Zij personifieerden de klassieke tegenstelling tussen het Apollinische (constructivisme) en Dionysische (expressionisme) in de kunst. Hun eenheid symboliseerde het verlangen naar een harmonie tussen tegengestelden, een situatie die onbereikbaar is volgens Van de Wint, omdat het dualisme ons wereldbeeld bepaalt.

Sinds 1981 werkt Van de Wint op De Nollen, een binnenduingebied in zijn geboorteplaats Den Helder. Op dit onooglijke stuk grond, een voormalige vuilstortplaats gelegen tussen een spoorlijn en volkstuintjes, onderzoekt hij de schilderkunst in relatie tot de architectuur en het landschap. Zo confronteert Van de Wint de bezoeker in een verbouwde bunker uit de Eerste Wereldoorlog met een wisselwerking tussen de zogenaamde primaire en complementaire kleuren. Als men in deze lichte, witte ruimte lang naar een geel vlak kijkt, verschijnt na enige tijd naast dit vlak als immateriële 'nakleur' paars. Hetzelfde gebeurt bij een blauw vlak dat als complementaire kleur oranje in zich heeft.

Voor zijn volgende project op De Nollen, Vergilius, dat nu zijn voltooiing nadert, heeft Van de Wint twee identieke driehoekige ruimtes gebouwd. Hier gaat het om de tegenstelling licht-donker. In de ene ruimte vormt een lichte, in de andere een donkere ondergrond de basis voor een onderzoek naar de ruimtelijke effecten die kleuren teweeg kunnen brengen.

Ook het werk voor de Tweede Kamer heeft een klassiek schilderkunstig probleem tot onderwerp: de spanning tussen licht en donkere kleuren, het clair-obscur. Soms komt de ellipsvorm uit de ondergrond naar voren en lijkt het of er omheen een gat ontstaat, dan weer is het juist omgekeerd. De muur is het kader, waarbinnen de schilderijen een eigen visuele ruimte moeten creëren.

Voor deze opdracht werkte Van de Wint in een bijzondere techniek. Hij bracht de olieverf niet met een kwast aan maar met zijn vingers, voorzien van speciale ijzeren doppen. Sporen van dit handwerk zijn nog duidelijk zichtbaar. Vervolgens trok hij met een doek een deel van de natte verflaag eraf waardoor een patroon van puntjes ontstond. Door deze procedure vijf tot zeventien maal te herhalen kreeg de verf een matte, korrelige structuur. Van dichtbij is te zien hoe de kleuren van de verschillende lagen doorgloeien.

De warme kleuren van de schilderijen - rood, geel, oranje, paars - vormen een opvallend contrast met de koele kleuren van de zaal. Van de Wint heeft niet willen reageren op de ruimte. Net zoals de Stijl-kunstenaar Theo van Doesburg in de jaren twintig weigert hij als huisschilder op te treden. Tegenover de sobere, ingetogen architectuur van de zaal, benadrukt Van de Wint de autonomie van de schilderkunst. “Ik ben geen ontwerper”, zegt hij. “Ik heb liever dat ze het een slecht schilderij vinden, dan dat ze het mooi vinden omdat het zo goed bij de omgeving past.” De schilderijen van Van de Wint vertellen hun eigen verhaal dat, voor wie dat wil, symbolisch zou kunnen zijn voor de handelingen in de Tweede Kamer.

Toch trof Van de Wint in de architectuur van Pi de Bruijn een punt van herkenning aan: de driehoekige segmenten van de wand die ten opzichte van elkaar verschuiven. Deze vorm sluit aan bij spiralen in zijn vroegere werk. De manier waarop de schilderijen op de wanden zijn geplaatst, geeft aan het werk een sculpturaal karakter. Wandelend door de zaal verandert het aanzicht steeds. Vanuit een bepaald punt vormen de doeken, bij een gelijkmatige belichting (dit was tijdens mijn bezoek overigens nog niet gerealiseerd), paarsgrijs een visuele eenheid. Wanneer dan iemand tussen de doeken de zaal uitloopt, wordt die eenheid verstoord en heeft dat een vreemd, bijna surrealistische effect.

Het werk van Van de Wint, die eerder plafondschilderijen maakte voor Paleis Noordeinde (1984) en het Stadhuis in Groningen (1990) zal wel de nodige kritische reacties oproepen. Op zulke momenten blijkt de Tweede Kamer en de rest van Nederland plotseling bevolkt door kunstkenners. Relevant is de vraag of in de plenaire zaal uit het conflict tussen de tegengestelden architectuur en schilderkunst een 'schone voeging' is ontstaan. Ondanks het monumentale formaat van de doeken oogt het werk in deze entourage bescheiden. Toch blijft het door de kleuren en de expressionistische manier van schilderen, zelfs op de onrustige granieten muur, sterk aanwezig.