Oliereserves van Arabische landen stijgen met 5 procent

ABU DHABI, 28 APRIL. De oliereserves in de Arabische landen zijn in 1990 met 5 procent toegenomen en de Golfoorlog heeft bijgedragen aan een netto stijging van de olie-inkomsten van deze landen. Dit blijkt uit het jaarlijkse economisch rapport van de Arabische Liga.

De olie-inkomsten van de 21 lidstaten van de Liga samen beliepen in 1990 (de Golfcrisis begon in augustus van dat jaar) 89,5 miljard dollar tegen 73,8 dollar in 1989, een stijging met bijna 21 procent. Ondanks de stopzetting van de olieproduktie in Koeweit, direct na de Iraakse invasie, en in Irak door het internationaal embargo tegen dat land, nam de olieproduktie in de Arabische wereld en Noord-Afrika toe van 16 miljoen vaten per dag in 1989 tot 16,6 miljoen vaten per dag in 1990. Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten voerden hun produktie drastisch op en ook andere Opec-landen, die niet tot de Arabische Liga behoren, profiteerden van de Golfcrisis.

Volgens het rapport van de Arabische Liga zijn de oliereserves van de 21 lidstaten toegenomen van ruim 600 miljard vaten in 1989 tot 631,8 miljard vaten eind 1990, vooral dankzij nieuwe vondsten in Libië. Van de bewezen oliereserves ter wereld - in totaal meer dan 100 miljard vaten - bevindt zich nu 62 procent in de landen van de Arabische Liga. De Opec-landen herbergen samen reserves van 796 miljard vaten olie.

Saoedi-Arabië handhaaft zijn positie als belangrijkste olieland ter wereld, met een reserve van meer dan 260 miljard vaten in 1990 tegen 255 miljard vaten in 1989. Irak neemt de tweede plaats in met een reserve van 100 miljard vaten olie, gevolgd door de Verenigde Arabische Emiraten met 98 miljard vaten en Koeweit met 97 miljard vaten. (AFP)