Milieubeweging heeft nooit de vooruitgang afgewezen

De Vereniging Milieudefensie heeft onlangs het rapport Nederland Duurzaam uitgebracht. Henri Beunders, hoogleraar maatschappijgeschiedenis te Rotterdam, schreef daar in NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag een boosaardig artikel over, waarin hij en passant uithaalt tegen de hele milieubeweging, die hij een nieuwe religie noemt.

Hoe moet je een betoog weerleggen dat geen betoog is? Ik kies voor enige "historische rechtzetterij'. Anders dan Beunders beweert, heeft de milieubeweging nooit de ideologie van de vooruitgang afgewezen. Alleen zijn er kanttekeningen geplaatst bij de interpretatie en expressie van deze vooruitgang, waarvan de uitwassen al sedert Adam Smith met wisselend succes worden bestreden. Er is geen historisch verschil tussen de aanklacht van Emile Zola tegen de armoede en de kritiek van Jacques Ellul in Le Système Technicien of van Fritjof Capra in The Turning Point tegen de roekeloosheid van de moderne industriële technische expansie.

Randgroepen zijn van alle tijden, en dus vind je ook in de milieubeweging sectarische vleugels die via de milieucrisis het kapitalisme willen uitroeien of de pastorale herstellen. Maar anders dan Beunders beweert, zijn dit marginale verschijnselen die in Nederland de laatste paar jaar vrijwel zijn verdwenen. Er bestaat nog een restantje zogenaamde totalitairen, de kleinschaligheidsbeweging is verdwenen, en het enige probleem dat nog bestaat,is een manifeste zwakte aan topkader en politieke feeling. Voor de rest refereert Beunders aan kwalificaties die nimmer aan de orde waren.

Zo herinner ik mij niet dat de milieubeweging ooit de revolutie heeft gepreekt of niet wist wat "beleid' zou zijn. Vanaf het begin heeft de beweging in Nederland een volle agenda gekend met duidelijke wapenfeiten. Het begon ooit met verzet tegen de inpoldering van het Naardermeer. Daarna keerde men zich tegen de toen ongebreidelde luchtverontreiniging in de Botlek, plannen voor een - zeer vuile - zwavelkoolstoffabriek in Amsterdam, ideeën om de grachten daar te dempen voor het verkeer, de verloedering van de Waddenzee, de bekrompen aanpak van het Deltaplan, inefficiency in elektriciteitsopwekking en energieverbruik, achterstallige waterzuivering, ontbrekende wetgeving et cetera. Niks ideologie, niks pastorale, niks Blut und Boden. En burgers, bedrijven, overheden, economie, de staatskas en de natuur voeren er wel bij.

De milieu-agenda is nog altijd gevuld en de thema's zijn niet nieuw, ondanks modewoorden als de "milieugebruiksruimte', wat niet veel anders is dan "milieu' of "milieufuncties', woorden die allang een vaste, heldere definitie verkregen. (Het tekent overigens Beunders zorgvuldigheid dat hij prof. Opschoor, uitvinder van het begrip milieugebruiksruimte, consequent Verschoor noemt.) Over CO2, SO2 en O3 wordt zakelijk gesproken. Niemand heeft het, zoals Beunders de milieubeweging verwijt, over het "duivelse broeikaseffect' en het "goddeloze gat in de ozonlaag', en niemand wil die problemen te lijf met "moestuinmoralisme'.

Waar Nederland Duurzaam wèl over gaat, is de vraag hoe de milieuschaarste moet worden verdeeld, zowel over individuen en landen als mondiaal. Dat daarbij voor quoteringen wordt gekozen is niet een “neo-communistische utopie voor een wereld van totale gelijkheid met verboden, heffingen en bonnen voor iedereen”, zoals Beunders schrijft, maar een zoveelste stap om de markt te corrigeren zodra zich nieuwe schaarsten manifesteren.

Want dat is de essentie: nieuwe schaarste. Het milieu was eeuwenlang ruimschoots voorradig en werd dus niet verdisconteerd als produktiefactor of als beschermfactor voor de volksgezondheid. Zelfs toen het schaars begon te worden, heeft het vijftig tot honderd jaar geduurd om voldoende kennis op te bouwen om die schaarste te definiëren en de middelen tot verdeling ervan te vinden. De nieuwe milieuwetgeving probeert daarin te voorzien en hetzelfde geldt voor heffingen en quoteringen. Ook dat zijn geen rariteiten uit een heilstaterige Pandora-doos, maar decennia oude instrumenten, met wisselend succes toegepast in vrijwel iedere sector van het maatschappelijk en economisch verkeer.

In Nederland wordt per jaar ongeveer 200 miljard gulden belastinggeld volgens complexe consensusprocedures herverdeeld over sectoren waarvan het maatschappelijk belang via de markt onvoldoende tot zijn recht komt. Met milieuheffingen en -quota wordt hetzelfde beoogd. Loodvrije benzine werd op die manier een succes, in de Verenigde Staten worden met goed gevolg emissierechten verhandeld en mondiaal bestaat er al een beginnende uitruil van schulden tegen het behoud van regenwouden.

Er is geen twijfel meer dat het milieu als nieuwe schaarste op die manier in het economisch proces zal worden opgenomen. Beunders heeft daarvan nog nooit gehoord, maar VNO-voorzitter Rinnooy Kan en minister Pronk bleken het vorige week tijdens een debat op het Clingendael-instituut hierover eens te zijn. Ook de World Industry Conference on Industry and Environmental Management (WICEM, Rotterdam, april 1991) kwam tot die conclusie, en in het voetspoor daarvan de Business Council for Sustainable Development die op de UNCED acte de présence zal geven, met leden als Shell-president Van Wachem en oud Volvo-topman Gyllehammer, aangevoerd door de voormalige ASEA-president Schmidheiny.

Nederland Duurzaam verkeert met zijn pleidooi in hoog gezelschap, waarmee niet is gezegd dat het een perfect rapport is. Het geeft wel de richting aan, maar heeft gebreken die te wijten zijn aan te weinig kennis op terreinen als economie, consumentengedrag en besluitvorming, om er een paar te noemen. Om het om die reden te veroordelen, gaat te ver. Temeer daar het in ieders belang is dat de uitdaging ervan wordt opgepakt en omgezet in een volgende, verbeterde versie, bijvoorbeeld van het RIVM (Rijksinstituut voor volkegezondheid en milieu), één der beste milieu-denktanks ter wereld.

De geschiedenis van de schaarste leert dat de verdeling van die schaarste via de markt en het politieke gevecht een emancipatieproces is, waarin het conservatisme het vroeg of laat aflegt tegen de collectieve erkenning van de schaarste. Als de schade te groot wordt, komen er tegenkrachten in het geweer die het gevecht winnen als zij aan drie Gandhiaanse principes voldoen: rechtvaardigheid (de feiten), achterban en geweldloosheid. Op die manier werden mensenrechten verworven,ontstond de sociale zekerheid en meer recent de arbeidsveiligheid en de medezeggenschap. Maar altijd zullen er onwetende feodalen zijn die zich die emancipatie niet kunnen voorstellen.