Het Braziliaanse respect van spits Casagrande voor Ajax

Hij voelt zich inmiddels net zoveel Italiaan als Braziliaan. Walter Junion Casagrande, 29 jaar, 1,91 meter lang, 88 kilo zwaar en spits van AC Torino. Hij werd bijna vijf jaar geleden Torino-speler, maar werd wegens een surplus aan buitenlanders uitgeleend aan Ascoli. Afgelopen zomer keerde Casagrande terug bij Torino. Vier doelpunten maakte hij dit seizoen in het UEFA-cuptoernooi.

TURIJN, 28 APRIL. Walter Casagrande slaat twee kruisjes, kust zijn hand, buigt licht door de knieën en verlaat het trainingsveld van Torino. “Tegen Ajax zullen we drie kruisjes nodig hebben,” lacht de Braziliaan, terwijl hij onder de douche stapt.

Het duel tegen AC Milan moet dan - twee dagen later - nog gespeeld worden, maar Ajax is het item in de kleedkamer aan de Via Filadelfia. De Belg Enzo Scifo maakt zijn veters los en roemt Wim Jonk en Aron Winter (“wat een middenveld!”), ex-Real Madrid-speler Rafael Martin Vazquez is al omgekleed en waarschuwt voortdurend voor Dennis Bergkamp (“snel, technisch, gevaarlijk voor de goal; een supercomplete voetballer”).

Even later oogt Casagrande ontspannen, Braziliaans ontspannen. “Tudo tranquilo.” Hij erkent de kracht van de Amsterdamse club, maar is geenszins onder de indruk van de finale. “Het is een belangrijke wedstrijd, geen bijzondere. Voor de club misschien, niet voor mij. We kunnen een beker winnen, okay. Dat is leuk, maar niet speciaal, en zeker geen hoogtepunt van mijn carrière.”

Zittend in de dugout van het Stadio Filadelfia, het trainingsveld van AC Torino, legt hij uit wat wel zijn hoogtepunt was, op welk een “schandalige” wijze hij in Italië belandde, en waarom de UEFA-cupfinale uitdraait op twee boeiende confrontaties. Strafschoppen zullen de beslissing brengen volgens de spits die in 1986 nog deel uitmaakte van het Braziliaanse team met Zico, Falcao, Branco, Junior, Careca en Socrates.

“Dat was het hoogtepunt,” zegt Casagrande, niet doelend op dat wereldkampioenschap waar Frankrijk zijn ploeg na strafschoppen uitschakelde, maar op het middenveld dat hij destijds vormde met Junior, Alemao en Socrates, “de regisseur”. “In Brazilië speelden we bij dezelfde club, Corinthians de Sao Paolo. Mijn mooiste tijd.” Amper negentien jaar oud werd hij toen voor het eerst kampioen van Brazilië, het jaar daarop volgde de tweede titel. “Dat was prachtig, natuurlijk maar spelen met Socrates was een genot. Zoals hij voetbalde.”

Hij sluit de ogen, maakt een fluitend geluid. Dan: “Oogstrelend, maar vooral efficiënt. De bal één keer raken, ontvangen en afgeven. Kaatsen, één-twee's. Hij maakte geen beweging te veel, hield het spel simpel, liet de bal het werk doen. Zoals Socrates speelde, leek het voetbal doodeenvoudig. Bij zijn pass kreeg de bal ogen.”

Socrates doceerde, Casagrande leerde. Met succes. FC Porto lijfde hem in voor het seizoen 1986/'87 in. De club won de Europa Cup I door in de finale Bayern MÜnchen te verslaan, maar Casagrande speelde nauwelijks mee. Zijn Portugese verblijf duurde slechts één jaar. Toen verhuisde Casagrande naar Torino in Italië, terwijl hij eigenlijk in Portugal had willen blijven. “Ik sprak mijn eigen taal, had veel vrienden, verdiende behoorlijk en het elftal was goed. Wat wilde ik nog meer? Niets!” Maar Jiger, zijn toenmalige manager, wel. “Ik stond niet bij Porto onder contract, maar bij Jiger. Die rook geld toen Torino informeerde. Ik was kansloos, door dat contract een slaaf van mijn manager. Ik moest naar Italië. Het geld ging naar Jiger.”

De deal was gemaakt, Jiger verdween uit het beeld. Casagrande werd uitgeleend aan Ascoli. “Bij Torino was ik overbodig, later raakte is geblesseerd. Geen klachten, hoor, over Ascoli; de mensen behandelden me uitstekend. Toch had ik het niet naar mijn zin. Ik speel net als Socrates, was te goed voor die club. Ik dribbel niet, ik speel direct. Voordat ik aangespeeld word, weet ik al wat ik met de bal doe. Ik denk vooruit, voor de spelers van Ascoli te ver vooruit. Daar konden zij niets aan doen, dat weet ik. Ik ergerde me wel constant.”

Spelen met het nationale team reduceerde die ergernis niet. Wegens een knieblessure ontbrak hij bovendien op het wereldkampioenschap in 1990. “Dat vond ik niet eens erg, het was en is een puinhoop rond het nationale team. Typisch Braziliaans.” Pas sinds een jaar loopt hij niet meer met voetbalziel onder zijn arm. Na vier jaar haalde Torino hem “eindelijk” bij de selectie. “En kom ik weer aan voetballen toe,” zucht Casagrande. “Eigenlijk ben ik geen spits, meer een strateeg. Met Scifo en Vazquez erbij hebben we daarom een sterke ploeg. Technisch en tactisch in orde, fysiek zeer sterk. Echter: onze kracht is vooral de wil, de drang om te winnen.”

Is Ajax dus kansloos? De realist: “Integendeel. Zeker niet als ze spelen als tegen Genoa. Fris, offensief, pressie, ja dat verbaasde me. Torino-Ajax: twee ploegen die aan elkaar gewaagd zijn. Juist door die verschillende speelstijlen.” Samen met Milan hanteert Ajax volgens hem de “ideale speelstijl”. “Milan oefent nog meer druk uit, speelt ook krachtiger. Ajax is daarentegen sprankelender. Roy, Bergkamp, Van 't Schip, Jonk en Petterson”

Casagrande noemt ze stuk voor stuk op, lovend. Vervolgens pakt hij een bal. Jonglerend ratelt hij aan een stuk door. Dat hij Brazilië noch de Lambada mist: “Ik voel me Italiaan en kan toch niet dansen.” Dat Brazilië de beste voetballers ter wereld heeft gebracht: “Pele, Tostao, Rivelinho, Garrincha, Socrates.” En dat hij net als Romario graag in Nederland had willen voetballen: “Nederlandse spelers lijken erg op de Braziliaanse. Hoge snelheid, veel balgevoel, die aspecten. Aan de andere kant: minder soepel, maar tactisch beter ontwikkeld. En de Nederlandse ploegen hebben een betere organisatie, die is Europees.”

Dan vindt hij dat-ie genoeg gepraat heeft. Vanaf de middenstip mikt hij de bal op de lat en verlaat opnieuw het oefenterrein. Bij wijze van grap slaat hij ditmaal drie kruisjes. “Op de goede afloop.”